Balans van de Leefomgeving

Doel CO2-emissie meerjarenafspraak glastuinbouw (2020) waarschijnlijk niet binnen bereik

Daling van emissies van broeikasgassen uit de glastuinbouw onvoldoende om het doel voor 2020 te halen

De daling van emissies van broeikasgassen uit de glastuinbouw is onvoldoende om het doel voor 2020 te halen

De daling van emissies van broeikasgassen uit de glastuinbouw is onvoldoende om het doel voor 2020 te halen

Doel CO2-emissie meerjarenafspraak waarschijnlijk niet binnen bereik

De overheid heeft met de glastuinbouw in de Meerjarenafspraak Energietransitie Glastuinbouw 2014-2020 een maximale emissie voor 2020 afgesproken van 4,6 Mton CO2 (EZ 2017a). Naar verwachting zal de CO2-emissie van de glastuinbouw in 2020 6,3 Mton CO2 bedragen (naar Schoots et al. 2017). Sinds 2010 daalt het energiegebruik en daarmee de CO2-emissie (figuur 1). De daling is vooral veroorzaakt door vermindering van elektriciteitsopwekking voor verkoop (van der Velden en Smit 2017). De laatste jaren stagneert de daling. De sector investeert wel volop in een meer duurzame energievoorziening zoals geothermie, maar het effect is nog beperkt (zie hieronder).
In de Meerjarenafspraak is opgenomen dat voor de monitoring gebruik wordt gemaakt van de Energiemonitor glastuinbouw van het LEI (nu WEcR). Waar de nationale rapportage voor het klimaatakkoord is gebaseerd op de nationale energiebalans van het CBS berekent WEcR de emissies op basis van het bedrijveninformatienet (van der Velden en Smit 2017). In de komende periode zal gewerkt gaan worden aan de afstemming tussen beide berekeningsmethodieken.
Bij de vaststelling van het doel voor 2020 is rekening gehouden met de opwekking van elektriciteit in WKK-installaties en de verkoop van een overschot aan elektriciteit. Onder meer omdat de groei van de verkoop van energie vanuit de sector achterbleef bij de verwachtingen en door krimp van het areaal glastuinbouw, is in 2017 besloten het in 2014 vastgestelde CO2-doel aan te scherpen tot 4,6 Mton (EZ 2017a). Behalve het doel voor een maximale CO2-uitstoot zijn in de Meerjarenafspraak ook doelen afgesproken over energiebesparing en het gebruik van hernieuwbare energie. In het energieakkoord is daarbovenop een extra energiebesparing van 11 PJ afgesproken in 2020. In de Meerjarenafspraken is geen doel afgesproken voor de emissie van methaan die als lekverlies optreedt bij WKK-installaties. De eerste Meerjaren Afspraak Energie van de Nederlandse glastuinbouw dateert van 1993. Begin 2018 zijn de drie grootste glastuinbouwbedrijven door minister Wiebes aangeschreven om binnen 4 jaar om te schakelen op andere energiebronnen dan het Groningse aardgas.
De overheid zet vele instrumenten in om de doelen uit het convenant te realiseren en synergie met de activiteiten van de sector te bewerkstelligen. Onderzoek en ontwikkeling krijgen impulsen van de topsector Tuinbouw & Uitgangsmaterialen. Daarnaast zijn er diverse programma’s, subsidie- en fiscale instrumenten waar het bedrijfsleven gebruik van kan maken (Moerkerken et al. 2014). Soms zijn deze specifiek voor de agrosector of de glastuinbouw (Kas als Energiebron, Energie-efficiĆ«ntie en hernieuwbare energie glastuinbouw (EHG), MEI) en soms generiek (SDE+, EIA, MIA/Vamil, RNES Aardwarmte).

Na scherpe daling vanaf 2010 stagneert de afname van de CO2-uitstoot

De ontwikkeling van de CO2-emissies in de glastuinbouw is een combinatie van het gebruik van aardgas voor verwarming van kassen en voor de opwekking van elektriciteit in WKK-installaties. Een deel van de opgewekte elektriciteit wordt verkocht. De CO2-uitstoot die gepaard gaat met deze opwekking komt volgens de IPCC rekenmethodiek voor rekening van de glastuinbouw (RIVM 2018). In 2016 was de CO2-emissie van de glastuinbouw ongeveer 7,4 Mton en daarmee hoger dan de emissie van 6,3 Mton in 1990 (Figuur 1). Dit komt door de extra opwekking van elektriciteit. De fossiele energie voor de teelt betreft voornamelijk de verbranding van aardgas voor de verwarming van de kassen (ca driekwart van de energievraag) en voor de opwekking van elektriciteit voor verlichting (ca 25%). De bij de verbranding vrijkomende CO2 wordt gebruikt om de gewasgroei in de kas te stimuleren. De verbranding gebeurt vooral in (aard)gasketels, WKK-installaties en een klein deel als biomassa verbranding. Het aandeel hernieuwbare energie is circa 5% in 2015 (van der Velden en Smit 2017). Voor de monitoring van de klimaatafspraken telt ook de uitstoot van methaan mee die vrijkomt uit WKK-installaties, de zogenoemde methaanslip. In 2016 bedroeg deze 0,9 Mton CO2-equivalenten (Emissieregistratie 2018).
De ontwikkeling van de CO2-emissies sinds 1990 is de optelsom van diverse posten: een afname in het areaal, meer gas voor de opwekking van elektriciteit, gasbesparing door externe warmtelevering en duurzame energie en het effect van teeltmaatregelen. Tot de teeltmaatregelen behoren zowel maatregelen die het energieverbruik vergroten als die het verminderen. Een voorbeeld van vermindering is de toepassing van LED-licht en energieschermen, een voorbeeld van verhoging is een groter areaal met belichting in de wintermaanden.

Doelstellingen lange termijn (2030-2050)

Het vraagstuk van klimaatverandering komt steeds hoger op de beleidsagenda te staan. Om de in Parijs afgesproken doelen (streven naar een temperatuurstijging van maximaal 1,5 graad en ruim onder de 2 graden in 2100) te halen zijn aanzienlijke reducties nodig van de uitstoot aan broeikasgassen. In het regeerakkoord 2017 is afgesproken om de in Nederland uitgestoten broeikasgasemissies met 49% in 2030 te reduceren ten opzichte van 1990. Dit percentage past bij de ambitie van het Parijs-akkoord (2016). Voor de glastuinbouw is hierin een extra reductie van 1 Mton ten opzichte van het emissiepad bij ongewijzigd beleid vastgelegd.

Referenties

Naam van het gegeven

Broeikasgasemissies glastuinbouw

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving: auteur Martha van Eerdt

Berekeningswijze

Zie RIVM 2018 en Schoots et al. 2017

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks

Opmerking

Nieuw