Balans van de Leefomgeving

Ammoniakemissie van de landbouw blijft gelijk

De berekende ammoniakemissie van de landbouw is in de periode 2014-2016 gelijk gebleven, terwijl de berekende emissies sinds 1990 met ruim 65% zijn afgenomen. In tegenstelling tot de emissies, zijn de gemeten concentraties van ammoniak in de lucht sinds 2000 niet meer gedaald.

De berekende ammoniakemissie van de landbouw is stabiel sinds 2014, terwijl de berekende emissies sinds 1990 met ruim 65% zijn afgenomen

De berekende ammoniakemissie van de landbouw is stabiel sinds 2014, terwijl de berekende emissies sinds 1990 met ruim 65% zijn afgenomen

Ammoniakemissie landbouw in 2016 stabiel sinds 2014

Ammoniak komt vrij uit stallen, mestopslagen, tijdens beweiding en bij het aanwenden van mest. De berekende ammoniakemissie in 2016 is nagenoeg gelijk aan die van de voorgaande twee jaren, ondanks de groei van de melkveestapel. Het effect van deze groei is gecompenseerd door een toename van emissiearme huisvesting, een grotere mestafzet buiten de landbouw en een groter aandeel mestinjectie bij het toedienen van mest. Het aandeel van de melkveestapel in de totale ammoniakemissie is wel toegenomen door de groei van de melkveestapel als gevolg van de afschaffing van het melkquotum per 1 april 2015. Deze groei wordt na 2016 afgeremd door de introductie van het fosfaatreductiepakket. Dit pakket had als doel om de fosfaatproductie door de melkveestapel voor het einde van 2017 weer onder het afgesproken fosfaatplafond te krijgen, hetgeen inderdaad gelukt is (zie ontwikkeling fosfaatproductie (met link naar die indicator).

In de periode 1990-2016 zijn de berekende emissies van NH3 uit de landbouw met ruim 65% afgenomen; in de periode 1990-2000 was de afname in deze emissies het sterkst. Deze afname is het gevolg van krimp van de veestapel, eiwitarm voer, afdekken van mestopslagen, emissiearm bemesten en emissiearme stallen. De grootste bijdrage vloeit voort uit emissiearme bemesting (De Haan et al. 2009; CDM 2014). Bij emissiearm bemesten vervluchtigt er weinig ammoniak, waardoor er meer stikstof in de bodem beschikbaar komt voor het gewas en er minder kunstmest nodig is. Ondanks dat de Nederlandse landbouwsector de berekende emissies sinds 1990 meer dan gehalveerd heeft, is de intensiteit van ammoniakemissie per hectare landbouwgrond nog 60 kg NH3 en daarmee de hoogste in de EU.

Het 2010-doel voor de ammoniakemissie is in de Europese emissieplafond richtlijn (EU-NEC richtlijn) geformuleerd als een absoluut emissieplafond (128 kton). Sinds de herberekening van de historische emissiereeks ligt de huidige berekende emissie op het niveau van het plafond (RIVM 2018). De land- en tuinbouw droeg in 2016 110 kton bij aan deze totale ammoniakemissie. Het 2010-doel blijft van kracht tot het einde van 2019, waarna per 1 januari 2020 de nieuwe EU doelen van kracht worden.

In EU verband is voor de periode 2020-2030 een reductie van de ammoniakemissie uit alle bronnen afgesproken van 13% ten opzichte van 2005. Dit komt overeen met een plafond van 133 kton. Omdat de Nederlandse ammoniakemissie in de periode 2005-2010 met meer dan 13% is gedaald is het doel voor de periode 2020-2030 nu al gehaald. Met het halen van dit doel voor de toekomst, is er op basis van de EU-NEC richtlijn geen prikkel om de emissie verder te reduceren. De verwachting is dat de ammoniakemissie in 2020 verder zal afnemen tot 115 kiloton. De geraamde afname van de ammoniakuitstoot ontstaat enerzijds door toepassing van vérgaande emissiearme stallen voor varkens (als gevolg van schaalvergroting en verdergaand provinciaal beleid in Noord-Brabant en Limburg) en anderzijds door het toepassen van emissiearmere bemestingstechnieken. Vanaf 1 juli 2015 hebben boeren ook te maken met het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Naast staleisen uit het Besluit emissiearme huisvestingssystemen, zijn in het PAS ook voer- en managementmaatregelen en regels voor toedienen van mest opgenomen. Vanaf 2030 geldt volgens de NEC-richtlijn een reductiepercentage van 21% ten opzichte van 2005 (gelijk aan een emissieplafond van 121 kton ammoniak).

De verwachting voor 2020 is gebaseerd op berekeningen die zijn uitgevoerd voor de Nationale Energieverkenning 2015 (NEV2015), waarbij voor onderliggende cijfers is uitgegaan van de situatie in 2013/2014. Door verschillende recente ontwikkelingen, is de huidige situatie anders dan ten tijde van de NEV2015 werd ingeschat. Dit heeft ook consequenties voor de inschatting van de uitstoot in 2020 en 2030. Nieuwe berekeningen (voorzien voor eerste helft 2019) zullen waarschijnlijk aangepaste prognoses laten zien. Hoeveel de raming zal veranderen is nog niet te voorzien, maar gelet op het grote verschil tussen de huidige verwachting (115 kton) en het doel (133 kton) voor 2020, is de inschatting dat het doel ook na herberekening niet zal worden overschreden.

Concentraties van ammoniak dalen sinds 2000 niet

In tegenstelling tot de berekende emissies, dalen de gemeten concentraties van ammoniak in de lucht sinds 2000 niet meer. In de periode 2005-2014 zijn deze zelfs licht gestegen (Stolk et al. 2017). Deze trend wordt ook gevonden in het sinds 2005 operationele Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (RIVM 2016) en is een indicatie dat de ammoniakbelasting op natuur (Natura 2000 gebieden) niet meer afneemt terwijl dat wel nodig is voor een duurzame instandhouding van die natuur.

Het verschil in de trends van de berekende emissies en gemeten concentraties roept vragen op over de (geraamde) effectiviteit van het ammoniakbeleid. Het is onwaarschijnlijk dat het verschil in de trends alleen het gevolg is van een overschatting van de effectiviteit van het ammoniakbeleid. Zo zijn mestfraude en de efficiëntie van luchtwassers (Melse et al. 2018) onderwerpen die recent in de media aan de orde geweest zijn. Beide zaken kunnen van invloed zijn op de feitelijke emissie van ammoniak en daarmee op de gemeten concentraties.

Stolk et al. (2017) noemden als mogelijke oorzaak voor een trendverschil dat de aanwendingsemissies per uitgestoten eenheid ammoniak minder bijdragen aan de gemeten ammoniakconcentraties dan stalemissies, omdat aanwendingsemissies geconcentreerd zijn in een beperkte periode van het jaar en vooral overdag optreden. Ook is het mogelijk dat het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) van het RIVM niet helemaal representatief is in de zin dat door de locatiekeuze van de meetpunten de aanwendingsemissies minder goed worden gedetecteerd dan stalemissies. Ook deze twee oorzaken zouden in theorie een deel van het verschil in trend kunnen verklaren tussen emissies en concentraties in de periode 2007-2014. Daarnaast spelen de lager geworden concentraties van vooral zwaveldioxide (SO2) een rol. Zwaveldioxide speelt een rol bij de snelheid waarmee ammoniak in de lucht omgezet wordt in ammonium (lagere SO2 concentratie -> lagere snelheid). Hierdoor kan een verlaging van de ammoniakemissie worden gemaskeerd en zich mogelijk niet één op één verhouden tot wat er in de lucht terechtkomt en vervolgens wordt gemeten.

Zowel de effectiviteit van een aantal emissiereducerende maatregelen, als de representativiteit en de methodiek van de ammoniakmetingen zijn onderwerp van recente discussies. Nader onderzoek zal uitsluitsel moeten geven over de bijdrage van deze aspecten aan het trendverschil. Hoewel er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de berekende ammoniakemissies in het verleden zijn onderschat kan dat nog niet worden uitgesloten. Deze onzekerheid is mede debet aan het niet kunnen bepalen of het eerder genoemde EU-doel voor 2010 ook daadwerkelijk is bereikt. Deze onzekerheid kan niet door het beleid weggenomen worden, maar is in eerste instantie van wetenschappelijke aard. Het ontbreken van die beleidsmatige weg voor het wegnemen van de onzekerheid vormt de grondslag voor de kleurcode grijs, ondanks het feit dat de geraamde emissie rond het doel ligt.

Referenties

Naam van het gegeven

Mest en ammoniak

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving: auteurs: Albert Bleeker, Sietske van der Sluis en Marian van Schijndel (PBL/WLV)

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

Jaarlijks