Balans van de Leefomgeving

De jarenlange achteruitgang in kwaliteit van de Nederlandse zoetwater- en landnatuur is gemiddeld gekeerd

Behoud en ontwikkeling van (inter)nationale natuurwaarden vormen een belangrijke doelstelling van het natuurbeleid vanuit de Conventie voor Biologische Diversiteit, de EU-Vogel- en Habitatrichtlijn, de EU-biodiversiteitstrategie en de Kaderrichtlijn Water. Deze waarden bevinden zich met name in het Natuurnetwerk Nederland, vooral in Natura-2000 gebieden. Beleid richt zich zowel op het verhogen van de kwaliteit van ecosystemen als specifiek op het behoud en versterken van populatie van afzonderlijke soorten. Die natuurkwaliteit van ecosystemen wordt hier afgemeten aan het voorkomen van een set van kenmerkende soorten.

De gemiddelde natuurkwaliteit van landnatuur is afgenomen, maar de laatste jaren is de achteruitgang gestopt. De natuurkwaliteit van zoetwater verbetert sinds 1990

De gemiddelde natuurkwaliteit van landnatuur is afgenomen, maar de laatste jaren is de achteruitgang gestopt. De natuurkwaliteit van zoetwater verbetert sinds 1990

Jarenlange achteruitgang natuurkwaliteit is gestopt

Uit metingen van een set aan kenmerkende soorten van verschillende ecosystemen blijkt dat vanaf 1994 de gemiddelde kwaliteit van landnatuur is afgenomen. De laatste jaren neemt de gemiddelde natuurkwaliteit van ecosystemen niet verder af maar ook niet duidelijk toe. Dit beeld is consistent met de trend van diersoorten in natuurgebieden op het land.

In vergelijking met de trend op het land is de trend voor natuurkwaliteit in het zoete water de afgelopen decennia gemiddeld positiever. De natuurkwaliteit van zoet oppervlaktewater stijgt licht (data 1990-2016). Dit geldt vooral voor beken en kanalen, in sloten is de kwaliteit over genoemde periode gelijk gebleven. Hierbij is gekeken naar het voorkomen van macrofauna en waterplanten soorten waarbij de kwaliteitsbeoordeling is gebaseerd op de KRW maatlatten.

De trendfiguur laat verder zien dat de natuurkwaliteit van water- en landnatuur lager is dan in een intact of natuurlijk ecosysteem (index=100%) het geval zou zijn. Met een intact ecosysteem wordt gerefereerd aan een ecosysteem dat niet is aangetast door vermesting, verdroging, versnippering en dergelijke. Gemiddeld over de ecosysteemtypen ligt de huidige ecosysteemkwaliteit voor zowel land- als waternatuur rond de 40%.

Achteruitgang kwaliteit in meeste ecosysteemtypen laatste jaren gestopt, in open duinen nog afname

Achteruitgang kwaliteit in meeste ecosysteemtypen laatste jaren gestopt, in open duinen nog afname
Achteruitgang kwaliteit in meeste ecosysteemtypen laatste jaren gestopt, in open duinen nog afname

Achteruitgang kwaliteit in meeste ecosysteemtypen laatste jaren gestopt, in open duinen nog afname

In meeste typen landnatuur achteruitgang kwaliteit laatste jaren gestopt behalve in open duinen

In ongeveer 30% van het totale natuurareaal is de ecosysteemkwaliteit bovengemiddeld hoog. Open duinen hebben het grootste areaal met relatief veel kwalificerende soorten en hebben dus nog het meest van hun biotische kwaliteit kunnen behouden.

In ongeveer 30% van het totale natuurareaal is de ecosysteemkwaliteit bovengemiddeld hoog. Open duinen hebben het grootste areaal met relatief veel kwalificerende soorten en hebben dus nog het meest van hun biotische kwaliteit kunnen behouden.
Het areaal met (vrij) hoge ecosysteemkwaliteit is sinds 2000 afgenomen, vooral bij heide

Het areaal met (vrij) hoge ecosysteemkwaliteit is sinds 2000 afgenomen, vooral bij heide

Als we kijken naar verschillende typen landnatuur dan zien we dat de laatste jaren de afname van de kwaliteit van heide en moeras is gestopt, terwijl de kwaliteit van de open duinen nog steeds daalt (zie eerste tabblad). Trends in kwaliteit van half-natuurlijk grasland en bos verbeteren of verslechteren over de gehele periode 1994-2017 gemiddeld genomen niet.

Het duinareaal heeft de hoogste kwaliteit

Naast trends in kwaliteit kan ook worden gekeken hoe de kwaliteit van ecosystemen zich over het huidige natuurareaal verdeeld In ongeveer 30% van het totale natuurareaal is de ecosysteemkwaliteit vrij hoog tot hoog (zie tweede tabblad). Dat wil zeggen, hier komen in alle beheertypen meer dan 50% van het maximum aantal aangetroffen kwalificerende soorten voor. Open duinen hebben het grootste areaal met relatief veel kwalificerende soorten en hebben dus nog het meest van hun biotische kwaliteit kunnen behouden, hoewel deze kwaliteit gemiddeld wel afneemt zoals boven geschetst. De ecosysteemtypen halfnatuurlijk grasland en moeras hebben veel areaal met weinig kwalificerende soorten en hebben daarom een relatief lage kwaliteit.

Landelijk minder areaal landnatuur van hoge ecosysteemkwaliteit, vooral in heide

Wanneer de afgelopen periode (2006-2012) wordt vergeleken met de periode daarvoor (2000-2005), dan blijkt het areaal met een (vrij) hoog aantal kwalificerende soorten tot 2012 afgenomen. Vooral in de heide nam het areaal met een (vrij) hoog aantal kwalificerende soorten af, en het areaal met een (vrij) laag aantal toe. Ook dit is in lijn met de relatief grote afname van fauna in open natuurgebieden die is waargenomen vanaf 1990.

Natuurkwaliteit zoetwater verbetert

De gemiddelde natuurkwaliteit van de regionale wateren op basis van voorkomen van macrofauna en waterplanten verbetert gestaag sinds 1990

De gemiddelde natuurkwaliteit van de regionale wateren op basis van voorkomen van macrofauna en waterplanten verbetert gestaag sinds 1990

De natuurkwaliteit van de regionale wateren verbetert sinds 1990. Dat geldt voor de kwaliteit op basis van zowel waterplanten als macrofauna (zie figuur). De natuurkwaliteit op basis van waterplanten is in de periode 1990-2016 met ongeveer 10% verbeterd, terwijl dit voor macrofauna % is. Op een schaal van 0 tot 1 bedraagt de natuurkwaliteit van regionale wateren afgemeten aan waterplanten in 2016 gemiddeld 0,37, en afgemeten aan macrofauna gemiddeld 0,45.

Deze resultaten zijn berekend op basis van de KRW maatlatten. Anders dan in de KRW-beoordeling in de Stroomgebiedbeheerplannen wordt hier geen gebruik gemaakt van het doel dat per water is gesteld, maar wordt de maatlat gebruikt om aan te geven in welke mate soorten voorkomen die in de natuurlijke situatie thuis horen. In het overzichtsfiguur zijn voor de gehele periode de meest recente watertype-afhankelijke maatlatten gebruikt, tevens zijn alle beschikbare monitoringsgegevens gebruikt en zijn alle watertypen waaronder sloten meegenomen. Achterliggende informatie (zie Natuurkwaliteit macrofauna en waterplanten) laat zien dat verbeteringen vooral zichtbaar zijn bij beken en kanalen. Bij de waterplanten is in de sloten nauwelijks sprake van een verbetering. Bij de macrofauna gaat de kwaliteit in de meren zelfs achteruit.

Hoge ecosysteemkwaliteit te vinden in grotere gebieden met goede milieu- en ruimtelijke condities

Over de tijd hebben ontginningen, landbouwintensiveringen en verstedelijking geleid tot een afname van het areaal van natuurlijke ecosystemen. De kwaliteit van overgebleven ecosystemen in Nederland is afgelopen decennia afgenomen door vermesting, verzuring, verdroging, slechte waterkwaliteit en het gebrek aan ruimtelijke samenhang. De precieze oorzaken en de mate waarin dit voorkomt verschilt per ecosysteemtype en per regio. Sinds 1990 is de milieudruk, zoals bemeten aan emissies en deposities, afgenomen en zijn ruimtelijke condities verbeterd met de inrichting van het Natuurnetwerk Nederland.

Plekken met een bovengemiddeld aantal kwalificerende soorten vinden we nu vooral in de grotere natuurgebieden, zoals de duingebieden, de Veluwe en enkele grotere moeras- en heidegebieden. De hoge ecosysteemkwaliteit in deze gebieden is vooral het gevolg van de hier aanwezige variatie in water, milieu- en ruimtelijke condities, bijvoorbeeld door het voorkomen van reliƫf en dynamische landschapsvormende processen. Ook een grotere mate van ruimtelijke samenhang en betere milieucondities doordat verstorende invloeden zich op grotere afstand bevinden, dragen in grotere gebieden bij aan de ecosysteemkwaliteit.
Kwaliteitsverschillen hebben ook te maken met regionale verschillen in milieudruk en milieugevoeligheid; zo is de natuur op arme zandgronden veel gevoeliger voor bijvoorbeeld vermesting en verzuring dan de natuur op kleigrond. Al deze factoren bepalen samen het voorkomen van kwalificerende soorten en dus de verschillen in ecosysteemkwaliteit.
Met het verbeteren van de milieu- en ruimtelijke condities kan de kwaliteit (ook buiten de grotere natuurgebieden) toenemen. De verwachting is dat door beheermaatregelen zoals ingezet in huidig beleid het areaal van hoge ecosysteemkwaliteit zal kunnen toenemen.

De huidige kwaliteit zoetwaterecosystemen is gemiddeld laag. Dit heeft te maken met verschillende oorzaken waaronder de nalevering van voedingsstoffen uit de waterbodem, uit- en afspoeling van meststoffen uit de landbouw en vestiging van exotische soorten. Inrichtingsmaatregelen zoals beekherstel en het aanleggen van natuurvriendelijke oevers, en het verminderen van vermesting van het oppervlaktewater, kunnen voor een verder herstel van de biologische kwaliteit op basis van waterplanten zorgen.

Beleid streeft naar verbeteren natuurkwaliteit

In internationaal verband heeft Nederland zich gecommitteerd aan de natuurdoelen van de Conventie voor Biologische Diversiteit, de EU-Vogel- en Habitatrichtlijn ((Natura 2000), de EU-biodiversiteitstrategie en de EU Kaderrichtlijn Water. Het Rijk en de provincies hebben in het Natuurpact de ambitie afgesproken de kwaliteit van de natuur te verhogen door realisatie van het Natuurnetwerk en door extra inspanningen te richten op (herstel)beheer en maatregelen ter verbetering van water- en milieucondities.

De Subsidieregeling Natuur en Landschap (SNL) is bedoeld voor het behoud en de verbetering van de natuur- en landschapskwaliteit in Nederland. Als uitvoerenden van het natuurbeleid willen de provincies weten of via het SNL-instrumentarium de beoogde ecosysteemkwaliteit (beleidsdoelen) kunnen worden gerealiseerd. Verder heeft ook de Rijksoverheid behoefte aan informatie over ecosysteemkwaliteit. Momenteel wordt data verzameld volgens de WMBN-werkwijze.
Het doel van de Kaderrichtlijn Water (KRW) is om de kwaliteit van water en waterrijke gebieden te verbeteren. De KRW-methodiek omvat maatlatten voor de beoordeling van de biologische toestand, de fysisch-chemische toestand en chemische toestand door toxische stoffen. Deze laatste groep omvat zowel Europees vastgestelde prioritaire stoffen als overig relevante verontreinigende stoffen die per stroomgebied zijn vastgesteld.

Referenties

Naam van het gegeven

1.Trend in natuurkwaliteit van ecosystemen land2.Areaal ecosysteemkwaliteit land3. Natuurkwaliteit macrofauna en waterplanten in regionale wateren

Omschrijving

1.Trend in de mate van voorkomen van kenmerkende soorten als proxy voor de gemiddelde kwaliteit van bos, heide, moeras, open duin en halfnatuurlijke graslanden. 2. Areaal met een bepaalde ecosysteemkwaliteit op basis van aantallen kwalificerende soorten ingedeeld in 4 klassen ten opzichte van het maximaal aantal aangetroffen kwalificerende soorten.3. Trend in de kwaliteit beoordeeld op basis van waterplanten en macrofauna in de regionale wateren. Deze trend is gemaakt met alle beschikbare monitoringsgegevens van de waterschappen, informatiehuis Water en uit de Limnodata. De beoordeling is gedaan met de maatlatten van de KRW waarbij geen rekening is gehouden met waterlichaam specifieke doelen. De maximum kwaliteit is gelijk aan de natuurlijke referentie zoals die in de KRW is vastgesteld. De trendlijn is gemaakt met het programma Trendspotter.

Verantwoordelijk instituut

1.Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) & Wageningen Environmental Research; auteur: Arjen van Hinsberg & Janien van der Greft-van Rossum 2. Wageningen Environmental Research, auteurs: Marlies Sanders, Bart de Knegt3. Planbureau voor de Leefomgeving.

Berekeningswijze

AlgemeenDe indicator Trend in natuurkwaliteit van ecosystemen land geeft de kwaliteit van Nederlandse landecosystemen aan sinds 1994, ten opzichte van intacte ecosystemen. De kwaliteit van ecosystemen wordt, vergelijkbaar met CBD en SEBI 2010, weergegeven op basis van de mate van voorkomen van kenmerkende soorten in ecosystemen (Reijnen et.al., 2010). Ecosystemen en soortenDe indicator Trend in natuurkwaliteit van ecosystemen land onderscheidt 5 ecosysteemtypen landnatuur: Bos, Heide, Moeras, Open Duin en Halfnatuurlijk grasland. Deze ecosystemen zijn met behulp van de Fysisch Geografische Regiokaart onderverdeeld in 18 enkelvoudige strata, de kleinste ruimtelijke eenheden voor de indicator Trend in ecosysteemkwaliteit. Voor alle strata is een selectie gemaakt van kenmerkende soorten, gebaseerd op de doelsoorten uit Bal et al (2001) en aangevuld met typische soorten waarvoor soortdata beschikbaar zijn. In totaal omvat de indicator 457 soorten uit 4 soortgroepen: broedvogels, dagvlinders, reptielen en vaatplanten. Deze soorten zijn opgenomen in het NEM-meetnet (Netwerk Ecologische Monitoring).ReferentieKarakteristiek voor de indicator Trend in natuurkwaliteit van ecosystemen land is de weergave van de huidige kwaliteit gerelateerd aan een relatief intact ecosysteem, dat wil zeggen dat het ecosysteem niet is aangetast door vermesting, verdroging, versnippering en dergelijke. Voor de invulling van de referentiebeelden hebben SOVON, de Vlinderstichting, RAVON, FLORON en Alterra per stratum de mate van voorkomen van de kenmerkende soorten in de referentiesituatie bepaald.SoortdataJaarlijks komen nieuwe soortdata beschikbaar via de NEM-monitoring. Deze monitoring wordt verzorgd door SOVON (broedvogels), De Vlinderstichting (dagvlinders), RAVON (reptielen) en LMF (flora). Wageningen Environmental Research bewerkt de monitoringsdata voor flora tot soortindexen. TrendberekeningBeschikbare populatietrends van soorten geven aan hoe de populatieomvang verandert ten opzichte van de start van de monitoring van die soort. Deze populatietrends kunnen we relateren aan het voorkomen van deze soort in een intact ecosysteem; de dichtheid van voorkomen van een soort in de intacte situatie krijgt de indexwaarde 100, en de indexwaarden tussen 1994 en heden geven aan in welke mate de soort in hogere (waarde > 100) of lagere (waarde 0-100) dichtheid voorkwam ten opzichte van deze intacte situatie. Als soorten in hogere dichtheid voorkomen dan in een intacte situatie wordt de indexwaarde op 100 gemaximaliseerd. Het aandeel boven 100 telt dus ook niet mee om soorten met lagere dichtheid te compenseren. De ecosysteemkwaliteit wordt tenslotte bepaald door rekenkundig middelen van de soortindexen van de soorten binnen het ecosysteem. Hierbij tellen alle kenmerkende soorten even zwaar mee, immers al deze soorten zijn van belang voor het goed functioneren van dit ecosysteem. De kwaliteit voor de gezamenlijke Nederlandse ecosystemen landnatuur wordt bepaald door rekenkundig middelen van de ecosysteemkwaliteit van de 5 ecosystemen. Voor de 5 ecosystemen zijn trendlijnen gefit op basis van 1e (linear), 2de of 3de graads functies. Als uitgangspunt streven we naar een best mogelijke, op basis van verklaarde variantie, en meest eenvoudige fit; i) lineair indien mogelijk, ii) maar rekening houdend met mogelijke veranderingen (stabilisatie, stijging, daling) gedurende de gehele periode (2de graads), en iii) het goed beschrijven van de veranderingen in de meetpunten, met name ook in de laatste jaren (keuze 3de graads in sommige gevallen).Daarbij zijn controles op de bovenstaande procedure uitgevoerd met zowel Genstat (release 18.1) als met Trendspotter. Conclusies over trends blijken robuust. Zo laat de analyse met Genstat zien dat de landelijke trend voor landnatuur over de gehele periode daalde en in de laatste tien jaar stabiel was. Met Trendspotter blijkt dat er een significante afname was tot 2006, Daarna waren er geen significante veranderingen meer. Een fit met een 3e graad polynoom zou datzelfde beeld geven en blijft ook in de laatste jaren dichterbij de meetpunten dan een fit met een 2e graads polynoom. 2. Areaal ecosysteemkwaliteit landMomenteel wordt data verzameld voor de nieuwe – door de TBO’s ontwikkelde – systematiek voor de beheertypen van Index NL volgens de “Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk (WMBN)”. Er zijn echter nog geen gegevens voorhanden om de ecosysteemkwaliteit volgens de werkwijze van WMBN te presenteren. Daarom wordt hier een benadering van de WMBN-werkwijze gehanteerd.Ecosysteemkwaliteit is een subjectief begrip. De aanname is dat een heideveld bijvoorbeeld een ‘betere’ kwaliteit heeft als er meer kwalificerende of doelsoorten aanwezig zijn. Hoeveel soorten dat er maximaal kunnen zijn, verschilt per natuurtype (doeltype, beheertype etc). Op basis van verspreidingsgegevens broedvogels, dagvlinders, vaatplanten zijn aantallen kwalificerende soorten berekend per 250×250 meter gridcellen voor 2 perioden: 2000-2005 en 2006-2012. De aanwezigheid van soorten in onderbemonsterde gridcellen zijn bijgeschat en/of neergeschaald. De methoden zijn beschreven voor planten (Sierdsema et al 2014), vogels (Sierdsema & Kampichler 2014) en dagvlinders (Van Swaay 2013). Van elke gridcel wordt het kwaliteitsniveau bepaald door het aantal aanwezige soorten te delen door het maximum aantal aangetroffen soorten in dat beheertype. De gridcellen met de meeste kwalificerende soorten vallen in de hoogste kwaliteitsklasse (75%-100% percentiel). In totaal zijn er vier ecosysteemkwaliteitsklassen gedefinieerd (0-25%, 25-50%, 50-75%, 75-100%). Het areaal wordt per kwaliteitsklasse en per ecosysteemtype gesommeerd. De ecosysteemtypen zijn moeras (N05; N06.01; N06.02); heide (N06.03-06; N07) open duin (N08), halfnatuurlijk grasland (N09-N13) en bos (N14-N17).3. Natuurkwaliteit macrofauna en waterplanten in regionale waterenBeide indicatoren zijn opgebouwd uit 4 deelindicatoren met de beoordeling in sloten, beken, kanalen en meren. Uit deze 4 onderdelen is de landelijke trend gemaakt, waarbij elk type even zwaar meetelt. Bij de verwerking van meetgegevens zijn eerst alle resultaten omgezet naar een grid, voor een evenwichtige verdeling van meetpunten en om een lange termijn te maken. Een uitgebreide toelichting staat in de CLO indicatoren ‘natuurkwaliteit macrofauna‘ en ‘natuurkwaliteit waterplanten‘.

Basistabel

Zie tabblad figuurdata onder Download figuurdata

Geografisch verdeling

Nederland

Andere variabelen

Geen

Verschijningsfrequentie

1.Twee jaarlijks 2.Om de 5 jaar

Achtergrondliteratuur

1.Bal, D., Beije, H. M., Fellinger, M., Haveman, R., Van Opstal, A. J. F. M., & Van Zadelhoff, F. J. (2001). Handboek natuurdoeltypen; 2e geheel herziene druk. IKC Natuurbeheer.Staat al boven.Sierdsema H., C. Kampichler C. & L. Sparrius (2014). Verspreidingskaarten van hogere planten ten behoeve van de kwaliteitsbepaling SNL. Sovon-rapport 2014/20. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.4.Sierdsema H. & C. Kampichler (2014). Verspreidingskaarten van broedvogels ten behoeve van de kwaliteitsbepaling SNL. Sovon-rapport 2014/xx. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.5.Van Swaay, C.A.M. (2013). Ecosysteemkwaliteit voor dagvlinders van de SNL beheertypen. Rapport VS2013.014, De Vlinderstichting, Wageningen.

Opmerking

Betrouwbaarheidscodering

1. C. Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd. Met Genstat Release 18.1 zijn de trends getoetst op significantie.2. C. Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd.3. B. Schatting gebaseerd op een groot aantal (zeer accurate) metingen, waarbij representativiteit van de gegevens vrijwel volledig is.