Balans van de Leefomgeving
Balans van de Leefomgeving 2018

Milieu- en ruimtelijke condities nog onvoldoende voor landnatuur

Het beleid streeft naar de verbetering van milieucondities in bodem, water en lucht om biodiversiteit te herstellen en te behouden. Ook ruimtelijke condities zijn voor biodiversiteit van belang; zo is het voor veel soorten belangrijk dat er voldoende groot en samenhangend leefgebied is. De milieudruk is sinds 1990 flink verminderd door verlaging van emissies van vervuilende stoffen. Echter, de druk op natuur, zoals afgemeten in stikstofdepositie onder andere, is nog te hoog en niet voldoende voor een duurzaam voorkomen van veel soorten en ecosystemen. Zolang de milieudruk te hoog blijft, heeft dit gevolgen voor lokale bodem- en watercondities en vegetatieontwikkelingen. Uit de aanwezige vegetatie in verschillende ecosystemen in de periode 1999-2017 blijkt dan ook dat de milieucondities voor landnatuur gemiddeld genomen zijn verslechterd. Het effect van lokale verbetering in milieucondities, bijvoorbeeld in gebieden waar herstelmaatregelen zijn uitgevoerd, werken niet zichtbaar door in deze landelijke trends.

In grote delen van de Nederlandse landnatuur zijn milieu- en ruimtelijke condities nog matig of slecht voor duurzaam voorkomen van soorten en ecosystemen.

In grote delen van de Nederlandse landnatuur zijn milieu- en ruimtelijke condities nog matig of slecht voor duurzaam voorkomen van soorten en ecosystemen.
De milieucondities voor landnatuur in de periode 1999-2017 vertonen gemiddeld genomen negatieve trends.

De milieucondities voor landnatuur in de periode 1999-2017 vertonen gemiddeld genomen negatieve trends.

Vegetatiesamenstelling indicatief voor heersende milieucondities

Door rechtstreekse metingen aan bodem en water kan worden vastgesteld in welke mate veranderingen in de milieucondities optreden en of huidige condities geschikt zijn voor een duurzaam voorkomen van landnatuur. Meetgegevens zijn echter beperkt beschikbaar. Indirect kunnen de milieucondities ook geschat worden aan de hand van (veranderingen in) de aanwezigheid van plantensoorten. Planten stellen namelijk specifieke milieueisen aan hun voorkomen. De aangetroffen vegetatiesamenstelling in een gebied is daarmee indicatief voor de heersende milieucondities op standplaatsniveau.
Vooruitlopend op een eerste meting van milieucondities door de provincies is de geschiktheid van de huidige milieucondities voor landnatuur beoordeeld in lijn met de uitgangspunten van de ‘Werkwijze monitoring en beoordeling’ (WMBN), zie eerste overzichtsfiguur boven. Hiervoor zijn landelijke gegevens gebruikt van atmosferische stikstofdepositie, zuurgraad en grondwaterstanden, de vegetatiesamenstelling en de grootte van natuurgebieden. Voor uitspraken over de geschiktheid van de milieucondities (goed, matig, of slecht) is een vergelijking van de huidige situatie gemaakt met de eisen die de kenmerkende vegetaties van beheertypen aan deze condities stellen (NB. zie de Technische toelichting onderaan voor een methodische kanttekening hierbij).
Daarnaast is voor het bepalen van ruimtelijke condities gekeken in welke mate het areaal natuur qua ruimtelijke samenhang geschikt is voor het duurzaam voorkomen van soorten aldaar. De ruimtelijke condities zijn niet goed wanneer voor meer dan 50% van de soorten het leefgebied te klein en/of te veel versnipperd is, met andere woorden, wanneer de leefgebieden onvoldoende ruimtelijke samenhang hebben. Daarbij is met name gekeken naar soorten zoals broedvogels, vlinders en planten.

Op basis van landelijke gegevens over vegetatiesamenstelling worden de veranderingen in milieucondities in verschillende ecosystemen beschouwd. Bovenstaand tweede overzichtsfiguur presenteert over de periode 1999-2017 de trends in stikstofbeschikbaarheid, zuurgraad in de bodem en de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) in bos, duinen, halfnatuurlijk grasland, heide en moeras.

De hoeveelheid stikstof in natuurgebieden daalt de laatste jaren niet

Teveel stikstof in de bodem is een belangrijke oorzaak voor de achteruitgang van zeldzame soorten. De hoeveelheid stikstof in de bodem neemt onder andere toe door het neerslaan van stikstof (depositie) uit de lucht. Ammoniak maakt tweederde deel uit van de stikstof die op de bodem valt, en is hoofdzakelijk afkomstig uit de landbouw. De overige depositie is afkomstig van stikstofoxiden uit onder andere verkeer en industrie. Kwetsbare plantensoorten verdwijnen wanneer de stikstofdepositie het kritisch depositieniveau overschrijdt. Hoe hoger de overschrijding en hoe langer deze duurt, hoe groter de effecten. Vermesting speelt met name op de voedselarme zandgronden in gebieden waar de natuur erg gevoelig is voor stikstofdepositie en de depositie hoog is, vooral door intensieve veehouderij. Veel van de natuur in het noorden en westen van het land is niet zo gevoelig voor stikstofdepositie. Het gaat daarbij veelal om van nature voedselrijke wateren en moerassen in (zee/rivier)klei gebieden.

Circa driekwart van het totale areaal landnatuur kent in 2016 een te hoge stikstofdepositie. Met name in de ecosysteemtypen bos, open duin en heide zijn de condities door stikstofdepositie over vrijwel het gehele areaal matig of slecht. In heide wordt in vrijwel het gehele areaal de kritische depositiewaarden overschreden. Nagenoeg het gehele oppervlak valt hierdoor in de kwaliteitscategorieën matig of slecht. Voor bos en open duin is de situatie iets beter, hoewel ook hier het grootste deel van het oppervlak binnen de categorieën matig en slecht valt. De forse afname in stikstofdepositie sinds de begin jaren negentig heeft zich in de duinen en moeras en halfnatuurlijk grasland vertaald in een toename van het natuurareaal met goede condities. Bij de bossen en de heide is er een flinke toename van het natuurareaal met matige condities en is het areaal met slechte condities gehalveerd. Sinds 2010 zijn deze verbeteringen in de condities echter gestopt.

Sinds 2000 dalen de concentraties van ammoniak in de lucht niet meer. In de periode 2005-2014 zijn deze zelfs licht gestegen (Stolk et al. 2017). Deze trend wordt ook gevonden in het sinds 2005 operationele Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden en is een indicatie dat de ammoniakbelasting op natuur (Natura 2000 gebieden) niet meer afneemt terwijl dat wel nodig is voor een duurzame instandhouding van natuur. De stikstofbeschikbaarheid, afgemeten aan de vegetatiesamenstelling, is sinds 2000 voor de meeste ecosystemen gemiddeld niet significant afgenomen. In ecosystemen zoals open duin en halfnatuurlijk grasland neemt de stikstofbeschikbaarheid zelfs toe. Alleen in het voor stikstofdepositie minder-gevoelige ecosysteemtype moeras neemt de beschikbaarheid in geringe mate af.

Het is mogelijk dat verbeteringen in de vegetatiesamenstelling uitblijven en soms zelfs verslechteren, doordat de milieudruk nog te hoog is en de laatste jaren niet meer daalt. Complicerend daarbij is dat de vegetatie later reageert op veranderingen in emissies dan bijvoorbeeld luchtconcentratie of bodemchemie.

De stikstofbeschikbaarheid is sinds 2000 voor de meeste ecosystemen gemiddeld niet significant afgenomen.

De stikstofbeschikbaarheid is sinds 2000 voor de meeste ecosystemen gemiddeld niet significant afgenomen.
Sinds 1995 is het areaal landnatuur met slechte stikstofcondities gemiddeld afgenomen. Circa driekwart van het totale areaal landnatuur kent in 2016 een te hoge stikstofdepositie

Sinds 1995 is het areaal landnatuur met slechte stikstofcondities gemiddeld afgenomen. Circa driekwart van het totale areaal landnatuur kent in 2016 een te hoge stikstofdepositie
Sinds 1995 is er wel verbetering maar in 2016 heeft nog steeds het grootste deel van het areaal bos matige of slechte stikstofcondities.

Sinds 1995 is er wel verbetering maar in 2016 heeft nog steeds het grootste deel van het areaal bos matige of slechte stikstofcondities.
In 2016 valt het grootste deel van het oppervlak open duin binnen de geschiktheidscategorieën matig en slecht. Sinds 1995 is er gemiddeld toename in areaal met goede stikstofcondities.

In 2016 valt het grootste deel van het oppervlak open duin binnen de geschiktheidscategorieën matig en slecht. Sinds 1995 is er gemiddeld toename in areaal met goede stikstofcondities.
Vrijwel het gehele areaal aan heide kent in 2016 matige of slechte stikstofcondities.

Vrijwel het gehele areaal aan heide kent in 2016 matige of slechte stikstofcondities.
Sinds 1995 is in halfnatuurlijk grasland en moeras verbetering te zien, het areaal met goede stikstofcondities is toegenomen

Sinds 1995 is in halfnatuurlijk grasland en moeras verbetering te zien, het areaal met goede stikstofcondities is toegenomen

De zuurgraad is in veel natuurgebieden goed maar neemt wel in geringe mate af

Als gevolg van depositie van verzurende stoffen uit de lucht kan de bodem in natuurgebieden verzuren en kunnen plantensoorten uit dat gebied verdwijnen. De zuurgraad kan ook beïnvloed worden door veranderingen in de waterhuishouding, bijvoorbeeld als de toevoer van baserijke kwel wegvalt of door ophoping van organische stof in de humuslaag.

De overzichtsfiguur met trendpijlen laat zien dat de zuurgraad van de bodem landelijk daalt in alle ecosystemen. De daling in zuurgraad van de bodem kan het gevolg zijn van natuurlijke successie maar ook van de verzurende werking van stikstofdepositie. In ongeveer een vijfde van het totaal areaal natuur zijn de milieucondities in termen van zuurgraad niet goed. Verzuringsgevoelige locaties waar de zuurgraad momenteel als onvoldoende wordt beoordeeld, liggen vooral in halfnatuurlijke graslanden en moerassen. In bossen, en in grotere mate in de duinen en de heide, zijn de milieucondities in termen van zuurgraad veelal goed.

De zuurgraad neemt in veel natuurgebieden af, met verzuring tot gevolg.

De zuurgraad neemt in veel natuurgebieden af, met verzuring tot gevolg.
Verzuringsgevoelige locaties waar de zuurgraad momenteel als onvoldoende wordt beoordeeld, liggen vooral in graslanden en moerassen.

Verzuringsgevoelige locaties waar de zuurgraad momenteel als onvoldoende wordt beoordeeld, liggen vooral in graslanden en moerassen.

Verdroging in met name heide, moeras en natte graslanden

Op veel plaatsen is de grondwaterstand verlaagd ten behoeve van landbouw en bewoning of door waterwinning. Daardoor kan ook in natuurgebieden de grondwaterstand zijn gedaald. Een te lage grondwaterstand is één van de aspecten van verdroging. Er zijn plantensoorten die afhankelijk zijn van een hoge grondwaterstand, met name in het voorjaar. Dat geldt bijvoorbeeld voor de soorten in natte heide, natte graslanden en vochtige bossen.

De landelijke trends in de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) zijn stabiel in halfnatuurlijk grasland en open duin. In heide en moeras zijn de trends dalend, evenals in bos, hetzij licht. Vooral in moerassen daalt de grondwaterstand waardoor de beschikbaarheid van vocht in de bodem voor planten afneemt en er verdroging optreedt. Een mogelijke verklaring voor de afname in vochtbeschikbaarheid, samen met een afname in voedselbeschikbaarheid in moeras, is het proces van natuurlijke veroudering. Door de stapeling van organisch materiaal (veroudering) daalt de grondwaterstand en neemt de invloed van regenwater toe. Het moeras wordt daarom wat droger, voedselarmer en krijgt een lagere zuurgraad. Locaties waar de geschiktheidheid van watercondities, gebaseerd op gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand, momenteel als onvoldoende wordt beoordeeld, liggen vooral in heidegebieden, moeras en natte graslanden.

De landelijke trends in de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand zijn in de duinen en in de halfnatuurlijke graslanden stabiel, behalve voor bos, heide en moeras. Vooral in moerassen daalt de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand.

De landelijke trends in de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand zijn in de duinen en in de halfnatuurlijke graslanden stabiel, behalve voor bos, heide en moeras. Vooral in moerassen daalt de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand.
Verdrogingsgevoelige locaties waar de watercondities op basis van gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand momenteel als onvoldoende wordt beoordeeld, liggen vooral in heidegebieden.

Verdrogingsgevoelige locaties waar de watercondities op basis van gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand momenteel als onvoldoende wordt beoordeeld, liggen vooral in heidegebieden.

Ruimtelijke condities van natuurgebieden onvoldoende voor veel soorten

Om flora- en faunasoorten in staat te stellen om op lange termijn te overleven, zijn vanuit ruimtelijk oogpunt twee zaken essentieel: het behoud of herstel van voldoende grote leefgebieden en de mogelijkheden voor soorten om zich te kunnen verplaatsen tussen leefgebieden. De ruimtelijke condities zijn niet goed wanneer het leefgebied voor veel soorten te klein is en/of te veel versnipperd, met andere woorden, wanneer de leefgebieden onvoldoende ruimtelijke samenhang hebben. Veel soorten staan op de Rode Lijst vanwege de te beperkte ruimtelijke samenhang van de leefgebieden waarvan zij afhankelijk zijn.

De ruimtelijke samenhang varieert tussen de Nederlandse natuurgebieden. Ongeveer de helft van de landnatuur heeft matige tot slechte ruimtelijke condities voor de soorten. Een deel van de gebieden zijn te klein of versnipperd om soorten die daar voorkomen voldoende ruimte te bieden om te kunnen overleven. Een ander deel van de gebieden is in potentie wel groot genoeg of is voldoende met elkaar verbonden zodat soorten zich tussen de gebieden kunnen verplaatsen. Voorbeelden van gebieden waarvoor de ruimtelijke condities als goed kunnen worden beoordeeld, zijn de Veluwe, de Utrechtse heuvelrug en verschillende duingebieden.

Vanaf 1990 zijn veel natuurgebieden vergroot of met elkaar verbonden door verwerving, inrichting en beheer van aangrenzende en tussenliggende landbouwgronden. Het areaal met goede ruimtelijke condities is daarom toegenomen, zie de vergelijkende figuur tussen 1990 en 2015.

Het areaal met goede ruimtelijke condities is toegenomen.

Het areaal met goede ruimtelijke condities is toegenomen.
Gebieden waarvoor de ruimtelijke condities als goed kunnen worden beoordeeld, zijn onder andere de Veluwe, de Utrechtse heuvelrug en verschillende duingebieden

Gebieden waarvoor de ruimtelijke condities als goed kunnen worden beoordeeld, zijn onder andere de Veluwe, de Utrechtse heuvelrug en verschillende duingebieden

Beleid richt zich op verbeteren milieu- en ruimtelijke condities

In internationaal verband heeft Nederland zich gecommitteerd aan de doelen van de Conventie voor Biologische Diversiteit, de EU-Vogel- en Habitatrichtlijn (Natura 2000) en de EU-biodiversiteitstrategie. Het Rijk en de provincies hebben in het Natuurpact de ambitie afgesproken de kwaliteit van de natuur te verhogen door realisatie van het Natuurnetwerk en door extra inspanningen te richten op (herstel)beheer en maatregelen ter verbetering van water- en milieucondities.

Om de effecten van vermesting en verzuring te voorkomen, richt het Nederlandse milieubeleid zich op vermindering van de emissie van vermestende en verzurende stoffen in Nederland en de omringende landen. Door nationaal, maar ook internationaal milieubeleid is de lucht de laatste decennia schoner geworden, waardoor minder zuur en stikstof terecht komt op natuur (Buijsman et al., 2010;( zie Verzuring en grootschalige luchtverontreiniging: emissies)
Toch is het bereikte resultaat nog onvoldoende voor het bereiken van goede condities voor ecosystemen en soorten. Ook de verdrogingsbestrijding heeft nog onvoldoende resultaat gegeven. Uit eerdere inventarisaties van verdroging door IPO/RIZA en het Landelijk Steunpunt Verdroging bleek dat de voortgang van verdrogingsbestrijding traag verliep. Redenen waren o.a. dat er eerst gronden aangekocht moeten worden voordat het waterpeil kan worden verhoogd. Daarnaast is er bij de boeren weinig draagvlak gebleken voor uitvoering van de maatregelen omdat de consequenties van de watermaatregelen voor het landgebruik (bijv. natschade door peilverhoging) groot kunnen zijn.

Via het Programma Aanpak Stikstof (PAS) wordt met een combinatie van generiek en gebiedsgericht beleid gestreefd naar een afname van stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden . Daarnaast worden er middelen verstrekt voor herstelmaatregelen in bestaande natuurgebieden om vermesting en verzuring tegen te gaan. Veel van deze maatregelen zijn ook gericht op bestrijding van verdroging. De beschikbaarheid van voedingsstoffen is immers niet alleen afhankelijk van de huidige depositie van vermestende stoffen maar ook van de verdroging en van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. Naast de PAS zetten provincies binnen het Natuurpact ook in op extra antiverdrogingsmaatregelen (PBL & WUR, 2017) .

Met het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), wordt de totstandkoming van een samenhangend netwerk van natuurgebieden nagestreefd. In 2013 zijn in het Natuurpact afspraken gemaakt tussen Rijk en provincies over het natuurbeleid en de realisatie van de NNN. Tot 2027 willen de provincies minimaal 80.000 hectare natuur inrichten om het natuurnetwerk te versterken. Met inrichting worden ook vaak milieucondities verbeterd. Daarnaast wordt door uitbreiding en inrichting de ruimtelijke samenhang vergroot. Met het Meerjarenprogramma Ontsnippering wordt meer specifiek ingezet op het opheffen van ecologische knelpunten in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) die worden veroorzaakt door de bestaande rijksinfrastructuur zoals wegen, waterwegen en spoorlijnen (zie Indicatorblad MJPO versnippering).

Referenties

  • Buijsman ea (2010) Zure regen. Een analyse van dertig jaar verzuringsproblematiek in Nederland. PBL Bilthoven.
  • IPO en RIZA (2006). Verdrogingskaart 2004 van Nederland. Landelijke inventarisatie van verdroogde gebieden en projecten verdrogingsbestrijding. Interprovinciaal Overleg/ Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling, IPO publicatienummer 260, Den Haag.
  • Landelijk Steunpunt Verdroging (2010) Verdrogingsbestrijding in Nederland. Voortgangsrapportage 2009 Verdrogingsbestrijding in TOP-gebieden. Eerste ambtelijke voortgangsrapportage. Landelijk Steunpunt Verdroging
  • PAS natura 2000
  • PBL 2016. Digitale Balans van de Leefomgeving – thema Landbouw en voedsel
  • PBL & WUR 2017. Lerende evaluatie van het Natuurpact, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.
  • Pouwels, R., G.W.W. Wamelink, M.H.C. van Adrichem, R. Jochem, R.M.A. Wegman & B. de Knegt. 2016. Metanatuurplanner 2016 (toepassing voor Evaluatie Natuurpact). Tussenrapportage WOT-04-011-036.70. WOt-interne notitie 153.
  • Sanders, M.E., G.W.W Wamelink, R.M.A. Wegman &, J. Clement (2016). Voortgang realisatie nationaal natuurbeleid. Technische achtergronden van een aantal indicatoren uit de digitale Balans van de Leefomgeving 2016. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WUR. WOt-technical report 79
  • Stolk A.P., Noordijk, H., Den Hollander, H.A., Van Zanten, M.C., Wichink Kruit, R.J. en Van Pul, W.A.J. (2017) Het verloop van de ammoniakconcentratie over 2005-2014. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
  • Van Beek, J.G van, R.F. van Rosmalen, B.F. van Tooren & P.C. van der Molen (2014), Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS, Utrecht: BIJ12.
  • Van Delft, S.P.J., T. Hoogland, G.J. Roerink & W.M.L. Meijninger (2017), Verdrogingsinformatie voor de Nederlandse natuur. Een vergelijking tussen de actuele en gewenste grondwatersituatie, Wageningen: Wageningen Environmental Research.
  • Van der Hoek, D-J., M. Smit, S. van Broekhoven, A. van Hinsberg, P. Giesen, H. Bredenoord, R. Pouwels, B. de Knegt, F. van Gaalen, A. de Blaeij, S. Mylius & R. Folkert (2017), Potentiële bijdrage van provinciaal natuurbeleid aan Europese biodiversiteitdoelen. Achtergrondrapport bij lerende evaluatie Natuurpact, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.
  • Verweij, R., L. Soldaat & T. van der Meij (2016), Provinciale natuurindicatoren, Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.
  • Wamelink, G.W.W., P.W. Goedhart, J.Y. Frissel, R.M.A. Wegman, P.A. Slim & H.F. van Dobben (2007). Response curves for plant species and vegetation types, Alterra Report 1489, Alterra, Wageningen.
  • Verzuring en grootschalige luchtverontreiniging: emissies, 1990 – 2014
  • Vermestende depositie, 1990-2015

Naam van het gegeven

Toestand en trends in milieucondities

Omschrijving

Geschiktheid van milieu- en ruimtelijke condities voor landnatuur: bodem-pH, voorjaarsgrondwaterstand, stikstofdepositie en ruimtelijke samenhang voor beheertypen (1990-2016).Trends van milieucondities voor landnatuur: stikstofbeschikbaarheid, zuurgraad bodem en gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand afgeleid van vegetatieopnamen (1999-2017).

Verantwoordelijk instituut

Marlies Sanders, Wieger Wamelink (Wageningen Environmental Research), Tom van der Meij (CBS) & Bart de Knegt, Pim Vugteveen, Dirk-Jan van der Hoek (PBL).

Berekeningswijze

Trends van milieuconditiesMet het landelijk Meetnet Flora (LMF) worden de milieuontwikkelingen in de vegetatie gevolgd. Dit meetnet omvat ruim 8.600 vaste meetpunten in de terrestrische natuur en nog enkele duizenden in natuurlijke landschapselementen in het agrarisch gebied. Op deze meetpunten worden alle plantensoorten en de aantallen of bedekking per soort genoteerd. Deze plantensoorten verschillen in de eisen die ze stellen aan hun milieu. Aan de hand van toe of afname van deze soorten en hun samenstelling kan worden vastgesteld of het gebied onderhevig is aan veranderingen in milieuomstandigheden zoals zuurgraad en stikstofbeschikbaarheid (voedselrijkdom).Met behulp van milieu-indicatiewaarden per plantensoort is voor de verschillende milieuomstandigheden (GVG, stikstofbeschikbaarheid, zuurgraad) een trend per ecosysteem berekend aan de hand van gemiddelde milieu-indicatievoorwaarden van de aanwezige plantensoorten in de vegetatieopnamen. De gebruikte indicatiewaarden zijn afkomstig uit Wamelink et al., 2005, 2007 en 2012. Voor stikstof(beschikbaarheid) zijn de N-totaal indicatiewaarden per soort gebruikt. Voor de set getallen (1999-2017) wordt met een lineair model (lm-functie in het programma R) getoetst op een site*jaar effect. Dit resulteert in (lineaire) trends in een bepaalde periode (meestal vanaf 1999 en soms vanaf 2000) en de significantie van deze trends. De jaarcijfers worden apart van de trends berekend door voor de set aan meetpunten per jaar de berekende afwijkingen te middelen en de resultante daarvan op te tellen bij de gemiddelde waarde van het betreffende meetgegeven in alle meetpunten over de gehele periode. Alle ecosystemen worden gemonitord vanaf 1999 behalve de duinen (vanaf 2000). Het referentiejaar 2000 is bij het indexeren op 0 gezet.Geschiktheid milieu- en ruimtelijke conditiesIn de Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS (WMBN) is aangegeven welke beheertypen gevoelig zijn voor stikstofdepositie, bodem-pH en de Gemiddelde Voorjaarsgrondwaterstand (GVG). De milieukwaliteit van een beheertype wordt beschreven in drie categorieën; goed matig en slecht gedefinieerd op specifieke randvoorwaarden voor deze condities voor het betreffende beheertype. Welke categorie een locatie krijgt, hangt af van het verschil tussen de gemeten danwel geschatte waarde (voor stikstofdepositie, pH, en GVG) en de randvoorwaarde voor deze condities van het beheertype op die locatie. Hierbij wordt gekeken naar de huidige natuur zoals op kaart gezet in de beheertypekaart. De beheertypekaart is verfijnd (neergeschaald). De interne variatie binnen sommige beheertypen is relatief groot, waardoor de WMBN ranges waarin de milieucondities van het beheertype als goed worden beoordeeld aan de brede kant zijn. Hierdoor kan de conditie afnemen en zelfs voor de meest gevoelige soorten ongeschikt worden, terwijl de het beheertype als geheel steeds als ‘goed’ wordt beoordeeld. Het PBL en de WUR hebben de beheertypen met veel interne variatie daarom met aanvullende gegevens over vegetaties verfijnd.Dit geldt voor delen van grootschalige beheertypen (N01.xx) zoals duin- en kwelderlandschap als ook de beheertypen open duin en moeras. De berekende %areaal voor moeras is in deze berekening nog onzeker. Half-natuurlijk grasland en moeras bleken voor een deel van hun areaal in de neerschaling nog niet goed uit elkaar gehaald en onzeker. De categorieën zijn hier daarom samengevoegd.Bij de neerschaling is gebruik gemaakt van onder andere bodem- en vegetatiekaarten en habitattypenkaarten. Daarnaast zijn voor een aantal beheertypen zonder randvoorwaarden in de WMBN wel randvoorwaarden bekend Wamelink et al. (2007). Ook deze laatste zijn in de analyse meegenomen zodat een vrijwel landsdekkend beeld gegeven kan worden. De hier gepresenteerde analyse volgt de methode zoals toegepast in de Evaluatie van het Natuurpact (zie Van der Hoek et al 2017). Deze methode wijkt enigszins af van berekeningswijze zoals in de (digitale) Balans van 2016 is gebruikt. In de Balans 2016 en Tussenbalans 2017 werden alleen de door de provincies aangegeven gevoelige typen beschouwd. Hier is ingezoomd op het gehele landareaal en zijn de grenzen van gevoeligheid aangepast. Niet gevoelige beheertypen die in vorige Balans als ‘goed’ waren gekwalificeerd, omdat de milieuconditie voor niet-gevoelige typen geen milieuknelpunt is, zijn hier voor inzichtelijkheid als afzonderlijke klasse ‘niet gevoelig’ aangegeven. Hierdoor zijn percentages areaal met bijvoorbeeld goede condities beter onderling vergelijkbaar tussen de verschillende milieu- en ruimtecondities dan met de aanpak in de vorige Balans. Daarnaast is het in vergelijking met de eerdere aanpak duidelijker in welk aandeel van het natuurareaal milieucondities een belangrijke rol spelen bij het bereiken van de gewenste kwaliteit.De gemeten of geschatte waarden (voor pH, GVG en stikstofdepositie) zijn als volgt bepaald:Voor de milieuconditie stikstof is de hoogte van de stikstofdepositie gebruikt. Deze wordt gezien als een indicatie voor de stikstofbeschikbaarheid in de bodem. Van de stikstofdepositie is een landsdekkende kaart beschikbaar (RIVM 2017, feitelijke situatie 2016) De bodem-pH is geschat op basis van vegetatieopnamen uit de periode 1990 tot 2015, dit omdat een meetnet van directe pH-metingen ontbreekt. De geschatte niveaus zijn vervolgens gecombineerd met de bodemkaart, de grondwatertrappenkaart en de neergeschaalde beheertypenkaart. Zo is met geostatistische technieken een vlakdekkende pH kaart gegenereerd. De GVG is geschat op basis van vegetatieopnamen uit de periode 2004 tot 2015. Deze geschatte niveaus zijn vervolgens gecombineerd met de bodemkaart, de grondwatertrappenkaart en de neergeschaalde beheertypenkaart. Ten tweede is deze kaart op basis van vegetatieopnamen gecombineerd met een grondwaterstandenkaart die is opgesteld op basis van peilbuisgegevens (Van Delft et al. 2017) en is het gemiddelde van beide geschatte grondwaterstanden berekend.De ruimtelijke condities zijn niet volgens de provinciale systematiek bekeken. We redeneren niet van standaardafstanden en groottes voor ruimtelijke samenhang, maar van de ruimtebehoefte van een geselecteerd aantal soorten. De ruimtelijke condities van de soorten zijn bepaald op basis van de neergeschaalde beheertypenkaart (Pouwels et al., 2017). Hierbij wordt gekeken hoe groot en samenhangend het leefgebied van een soort is. Daarbij worden alleen die soorten meegenomen waarvoor het beheertype als geschikt leefgebied wordt verondersteld. Er is gekeken in welke mate locaties met een bepaald beheertype geschikt zijn voor het voorkomen van een 280 soorten (broedvogels, dagvlinders en planten ), gegeven de omvang en de ligging ten opzichte van overige geschikte gebieden. Wanneer een leefgebied van een soort voldoende groot en samenhangend is en van goede kwaliteit is, kan een sleutelpopulatie voorkomen. Dit is een populatie organismen die groot genoeg is (stabiel en levensvatbaar) om te kunnen voortbestaan binnen een netwerk van natuurgebieden (Pouwels et al. 2016). Per locatie is vervolgens bepaald hoeveel procent van de 280 soorten op die plek deel uitmaakt van een sleutelpopulatie. Als grens voor goede ruimtelijke condities is een drempel van 50 procent van de soorten genomen. Bij de klasse ‘matig/slecht’ is er sprake van een tekort aan leefgebied en/of versnippering voor > 50% van de soorten.

Basiskaarten

LMF, beheertypekaart (IMNab)

Basistabel

Geografisch verdeling

Nederland

Andere variabelen

Geen

Verschijningsfrequentie

Trends 2-jaarlijks; 2. Toestand 5-jaarlijks

Achtergrondliteratuur

Pouwels, R. , Wamelink, G.W.W. , Adrichem, M.H.C. van , Jochem, R. , Wegman, R.M.A. , Knegt, B. de (2017) MetaNatuurplanner v4.0 – Status A, Wageningen: Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu WOt-technical report 110Van der Hoek, D-J., M. Smit, S. van Broekhoven, A. van Hinsberg, P. Giesen, H. Bredenoord, R. Pouwels, B. de Knegt, F. van Gaalen, A. de Blaeij, S. Mylius & R. Folkert (2017), Potentiële bijdrage van provinciaal natuurbeleid aan Europese biodiversiteitdoelen. Achtergrondrapport bij lerende evaluatie Natuurpact, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.Wamelink, G.W.W., P.W. Goedhart, J.Y. Frissel, R.M.A. Wegman, P.A. Slim & H.F. van Dobben. 2007. Response curves for plant species and vegetation types. Report 1489, Alterra, Wageningen, the Netherlands.

Betrouwbaarheidscodering

C. Schatting, gebaseerd op een groot aantal (accurate) metingen; de representativiteit is grotendeels gewaarborgd