Balans van de Leefomgeving

De waterkwaliteit verbetert, maar voldoet in 2027 in veel wateren nog niet aan de doelen

De waterkwaliteit verbetert, maar voldoet in 2027 in veel wateren nog niet aan de doelen. Naar verwachting worden in 2027 in 15% van de regionale wateren en 55% van de rijkswateren alle biologische doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water volledig gehaald. 

Per individuele maatlaat zal het aandeel regionale wateren met een goede biologische kwaliteit in 2027 35-50 procent bedragen. Als er natuurlijke oorzaken zijn waardoor de doelen pas later dan 2027 kunnen worden gehaald, is het volgens de KRW ook voldoende als in 2027 alle benodigde maatregelen zijn getroffen

Per individuele maatlaat zal het aandeel regionale wateren met een goede biologische kwaliteit in 2027 35-50 procent bedragen. Als er natuurlijke oorzaken zijn waardoor de doelen pas later dan 2027 kunnen worden gehaald, is het volgens de KRW ook voldoende als in 2027 alle benodigde maatregelen zijn getroffen
Het aandeel rijkswateren met een goede biologische kwaliteit bedraagt in 2027 naar verwachting 55 procent

Het aandeel rijkswateren met een goede biologische kwaliteit bedraagt in 2027 naar verwachting 55 procent

Wat is de Kaderrichtlijn Water (KRW)?

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is erop gericht de (chemische en biologische) kwaliteit van de watersystemen te verbeteren. Voor elk oppervlakte- en grondwaterlichaam is het te bereiken doel concreet vastgelegd, evenals voor de specifieke beschermde gebieden (drinkwater, zwemwater en Natura 2000). Uiterlijk in 2027 moeten alle aangewezen wateren voldoen aan de vastgestelde doelen, met uitzondering van wateren waar het vanwege natuurlijke omstandigheden niet mogelijk is om de doelen op tijd te halen: in die gevallen moeten in 2027 wel alle maatregelen zijn getroffen waarmee de doelen later gehaald kunnen worden. Het jaar waarin de watercondities in de Natura 2000-gebieden op orde moeten zijn, was 2015 voor de sense of urgency-gebieden; voor de overige Natura 2000-gebieden is een langere termijn toegestaan.

Lidstaten moeten in stroomgebiedbeheerplannen aangeven welke doelen ze stellen en welke maatregelen ze uitvoeren om de gestelde doelen te halen. De eerste stroomgebiedbeheerplannen golden voor de periode 2009-2015; eind 2015 zijn de Nederlandse plannen voor 2016-2021 vastgesteld en gerapporteerd aan de EC. Nederland is voor de KRW ingedeeld in de stroomgebieden Rijn, Maas, Schelde en Eems. Bij het opstellen van de beheerplannen zijn verschillende bestuurslagen betrokken: de waterschappen en provincies zijn verantwoordelijk voor de regionale wateren, Rijkswaterstaat voor de rijkswateren en de provincies voor het grondwater. Het rijk is de eindverantwoordelijke richting de EU.

In 2016 hebben overheden, maatschappelijke organisaties en kennisinstituten gezamenlijk de intentieverklaring Delta-aanpak Waterkwaliteit en Zoetwater getekend, met als doel ‘een stevige impuls’ te geven ‘aan de verbetering van de waterkwaliteit’. De Delta-aanpak heeft een breder perspectief op waterkwaliteit dan de KRW. Zo zijn er onder andere analyse- en onderzoekstrajecten uitgezet over opkomende probleemstoffen. Ook worden sectorinitiatieven zoals het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer, een initiatief van de land- en tuinbouworganisaties, in de Delta-aanpak meegenomen.

Aan de gebruiksdoelen voor water wordt grotendeels voldaan, maar de doelen voor ecologie worden in veel wateren nog niet gehaald

De afgelopen decennia is de chemische kwaliteit van het Nederlandse oppervlaktewater – sloten, plassen, kanalen, meren, beekjes en rivieren – sterk verbeterd. De belasting met toxische en met vermestende stoffen is afgenomen. De verbetering was vooral het gevolg van generiek milieubeleid in binnen- en buitenland. De huidige waterkwaliteit is in het algemeen voldoende voor gebruiksfuncties, zoals de bereiding van drinkwater (weliswaar met zuivering), gebruik in de landbouw (drinkwater voor vee en beregening) en zwemmen. Maar het ecologische doelbereik blijft beperkt.

In de KRW-beoordelingsmethode voor de ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater wordt het eindoordeel samengesteld uit de beoordelingen van een groot aantal chemische stoffen, een aantal fysische kenmerken en de biologische kwaliteit. De biologische kwaliteit is een belangrijk onderdeel van het KRW-oordeel en is opgebouwd uit maatlatten voor algen, macrofauna, vissen en waterplanten. Alleen als alle vier de maatlatten goed zijn, is (volgens het zogeheten one out, all out-principe) de biologische kwaliteit van het water goed. Dit gold in 2015 voor 3 procent van de regionale wateren en 25 procent van de rijkswateren (Gaalen et al. 2016).

Voor de gebruiksfuncties geldt dat het water op orde moet zijn op specifieke locaties (zoals zwemwaterlocaties of bij drinkwaterwinningen) en voor specifieke parameters. De ecologische toestand volgens de KRW is een brede basiskwaliteit, die voor veel meer wateren geldt (dus niet alleen voor een aantal specifiek e gebruikslocaties). Daarmee is de KRW gericht op het duurzaam kunnen (blijven) faciliteren van ecosysteemdiensten, zoals het voorzien in schoon water door natuurlijke zuivering en het bijdragen aan landschappelijke waarde en biodiversiteit.

De waterkwaliteit verbetert, maar voldoet in 2027 in veel wateren nog niet aan de doelen

Vooral door emissiereducerende maatregelen bij rioolwaterzuiveringsinstallaties zal het aandeel regionale wateren dat voldoet aan de normen voor stikstof of fosfor toenemen, van 45 procent in 2015 tot ruim 50 procent in 2027. Dit heeft een positief effect op de biologische kwaliteit. Ook leveren inrichtings- en beheermaatregelen een belangrijke bijdrage aan de verbetering van de biologische kwaliteit. Uit modelberekeningen blijkt dat de extra bijdrage, bovenop het eerdere beleid, van het vijfde nitraatactieprogramma aan het halen van de doelen van de KRW in 2027 gering zal zijn (Groenendijk et al. 2015). Per 1 januari 2016 is het zesde nitraatactieprogramma van kracht. Volgens een milieueffectrapportage van dit programma is het effect van het totale pakket nu niet nauwkeurig te kwantificeren (Groenendijk et al. 2017).

Door de maatregelen uit de KRW-stroomgebiedbeheerplannen en het mestbeleid zal het aandeel wateren dat in 2027 voldoet aan alle biologische doelen volgens modelberekeningen toenemen tot 15 procent van de regionale wateren en 55 procent van de rijkswateren. Het doelbereik in de rijkswateren komt hoger uit omdat bij de afleiding van de normen rekening is gehouden met de gebruiksfunctie van het betreffende water. Hierdoor zijn de normen voor rijkswateren meestal minder streng (Gaalen et al. 2016). Niet alle aangewezen wateren hoeven volgens de KRW in 2027 te voldoen aan de doelen; als het door natuurlijke omstandigheden niet mogelijk is om de doelen op tijd te halen is het voldoende als in 2027 alle benodigde maatregelen zijn getroffen. Op dit moment is nog niet duidelijk welk aandeel van de wateren met het thans vastgestelde beleid na 2027 alsnog de doelen zal halen.

Nieuwe stoffen kunnen problemen opleveren

Er zijn toenemende aanwijzingen dat opkomende stoffen, zoals geneesmiddelen, microplastics en nanodeeltjes, problemen kunnen opleveren voor de waterkwaliteit. Zo kunnen geneesmiddelen effect hebben op de ecologie door gedragsverandering, weefselschade en effecten op de voortplanting van waterorganismen waardoor het ecosysteem als geheel verstoord kan raken (Moermond et al 2016). Ook microplastics kunnen mogelijk verstrekkende gevolgen hebben. Ze worden opgenomen in weefsels van bijvoorbeeld mosselen en vis en komen op die manier in de voedselketen terecht. Met de plastic deeltjes kunnen de dieren tevens blootgesteld worden aan stoffen die aan plastics zijn toegevoegd, bijvoorbeeld weekmakers die een hormoonverstorende werking kunnen hebben (Verschoor et al 2014). Stoffen die worden geloosd door de industrie leiden regelmatig tot bezorgdheid en onrust bij burgers, zoals het geval was met Perfluoroctaanzuur (PFOA) en GenX.

In de toekomst kan de kwaliteit van de drinkwaterbronnen door toenemend medicijngebruik (als gevolg van vergrijzing) en klimaatverandering (langdurige lage waterstanden) onder druk komen te staan (Moermond et al 2016).

Met name vanuit de Delta-aanpak Waterkwaliteit en Zoetwater zijn verschillende trajecten ingezet om een beter beeld te krijgen van de effecten van deze stoffen en om mogelijke maatregelen te identificeren. Voor geneesmiddelen is een landelijke hotspotanalyse uitgevoerd van de emissies via RWZI’s en de verspreiding in het oppervlaktewater. Hieruit blijkt o.a. dat 20% van de RWZI’s ca. 80% van de totale invloed op het Nederlandse regionale watersysteem veroorzaakt. Op basis van dit soort analyses kan beter worden afgewogen waar maatregelen het meest (kosten)effectief kunnen worden ingezet (Stowa, 2017).

Voor microplastics is een inventarisatie gedaan om de verschillende bronnen te prioriteren. Zwerfvuil, voornamelijk verpakkingen en wegwerpartikelen, blijkt de belangrijkste bron van microplastic te zijn. Andere bronnen die relatief hoog scoren zijn vezels en kleding, de afspoeling van straatvuil (waaronder bandenslijtage), cosmetica, verf- en kleurstoffen en schurende reinigingsmiddelen. In een vervolgstudie is nader gekeken naar de bronnen banden, verf en schurende reinigingsmiddelen. Bandenslijtsel blijkt veruit de grootste te zijn van deze drie bronnen (Verschoor et al 2016).

Naar aanleiding van de onrust rond het voorkomen van stoffen als GenX in het oppervlakte- en drinkwater heeft het RIVM een lijst van opgesteld van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). Dit zijn stoffen die kanker kunnen veroorzaken, nadelige effecten kunnen hebben op de voortplanting of zich kunnen ophopen in het milieu. Deze lijst kan als hulpmiddel worden gebruikt bij de vergunningverlening (RIVM 2018). Voor de overige opkomende probleemstoffen is een eerste werkwijze opgesteld voor de prioritering van stoffen of stofgroepen, op basis waarvan vervolgstappen kunnen worden gekozen, zoals het zoeken naar reductiemaatregelen of het uitvoeren van aanvullend onderzoek (Osté et al. 2017).

De Delta-aanpak Waterkwaliteit en Zoetwater en de Omgevingswet bieden ruimte voor een betere afweging en verdeling van verantwoordelijkheden

In de volgende stroomgebiedbeheerplannen voor de periode 2021-2027 moeten per regio keuzes gemaakt worden over in te zetten maatregelen. Deze keuzes zijn complex en vergen veel interactie met betrokkenen in de regio: waterschappen, provincies, agrariërs en andere belanghebbenden. De Delta-aanpak Waterkwaliteit en Zoetwater (zie 1.2.1) biedt ruimte voor zowel het regionale maatwerk waar het kabinet en het 6e Nitraatactieprogramma om vragen, als voor de samenhang met andere doelen en beleid waar de Tweede Kamer en de EU op aandringen. De Ketenaanpak Medicijnen uit Water, een onderdeel van de Delta-aanpak, is een goed voorbeeld van een aanpak waarin overheid, waterschappen, drinkwaterbedrijven, bedrijfsleven en andere betrokken partijen nauw samenwerken bij het zoeken naar de meest effectieve oplossingen.
Regionaal maatwerk kan beter worden gefaciliteerd met de Omgevingswet. De sturingsmogelijkheden van het provincie- en het waterschapsbestuur lijken onder de Omgevingswet breder te worden: meer mogelijkheid voor maatwerk waarmee algemene rijksregels kunnen worden ingevuld. Hoe groot deze mogelijkheid in de praktijk wordt, hangt af van de algemene regels die op rijksniveau worden vastgesteld (Freriks et al. 2016). Kansrijke maatregelen, zoals geschetst in de volgende paragraaf, zouden gebiedsgericht door provincies of waterschappen genomen kunnen worden, na delegatie vanuit de Meststoffenwet; dit vraagt om aanpassing van de wetgeving. Het is ook mogelijk dat het rijk binnen het huidige instrumentarium van de Meststoffenwet of het Besluit Gebruik Meststoffen deze maatregelen implementeert (Velthof et al. 2018).

Provincies en waterschappen zijn terughoudend in het opleggen van gebiedsgerichte maatregelen aan de landbouw vanwege onduidelijkheden in wettelijke bevoegdheden, juridische risico’s, politiek draagvlak, economische effecten, administratieve lasten, mogelijke schadecompensatie aan agrariërs voor inkomensderving en handhavingsinspanningen. De invoering van de Omgevingswet biedt ruimte voor een nieuwe beleidsmatige keuze hoe de samenwerking en verantwoordelijkheid in gebiedsgericht maatwerk wordt ingericht, inclusief de juridische borging (Velthof et al. 2018).

Kansrijke oplossingsrichtingen voor de waterkwaliteit: gebiedspecifiek maatwerk binnen gemeenschappelijke kaders

Om de KRW-doelen te kunnen halen is een aanzienlijke vermindering van de belasting van het water met gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten nodig, en een verbetering van de inrichting, zoals meandering of natuurvriendelijke oevers. Omdat de effectiviteit van maatregelen afhankelijk is van de regionale situatie, moeten waterbeheerders en andere belanghebbenden in de regio gezamenlijk op zoek gaan naar het meest geschikte maatregelenpakket. Vanuit de landbouwsector wordt aan dit proces bijgedragen via het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer. Hierbij is het van belang om integraal naar alle doelen binnen een gebied te kijken, zowel mogelijke tegenstrijdige doelen (waterkwaliteit-landbouw) als doelen met mogelijkheden voor synergie (water-natuur).

Uit recent onderzoek blijkt dat met een combinatie van extra maatregelen, bovenop de maatregelen uit het bestaande beleid, naar verwachting op termijn een substantiële daling van de stikstof- en fosfaatconcentraties in het oppervlaktewater kan worden gerealiseerd. Het gaat hier om maatregelen als verbeterde drainage, het aanleggen van grasbufferstroken, het verminderen van oppervlakkige afspoeling en het uitmijnen van bodemfosfaat (Velthof et al. 2018). De kosten van maatregelen zijn context- en gebiedspecifiek, maar kunnen aanzienlijk zijn. Zo worden de gemiddelde kosten voor het aanleggen van peilgestuurde drainage ingeschat op 750 euro per hectare per jaar (van Gaalen et al 2016).

De doelen voor waterkwaliteit kunnen alleen met gebiedsgericht beleid binnen bereik komen wanneer zij consistent zijn met nationaal generiek beleid, voor met name de landbouw (zie hoofdstuk 5 Landbouw en voedsel). Dergelijke gemeenschappelijke doelenkaders zijn nu onvoldoende aanwezig bij het gewasbeschermings-, mest- en waterkwaliteitsbeleid. Met name in gebieden waar het halen van de waterkwaliteitsdoelen niet mogelijk is binnen de generieke doelen uit het mest- en gewasbeschermingsbeleid (zie 1.4) is een betere afstemming tussen deze kaders nodig.

Vanuit andere beleidstrajecten is een beweging zichtbaar naar een meer duurzame en natuurinclusieve landbouw (zie hoofdstuk 5 Landbouw en voedsel en 6 Natuur). Ook voor verbetering van de waterkwaliteit is dit een kansrijke oplossingsrichting: een gezonde bodem via beter bodembeheer kan bijdragen aan minder kunstmestgebruik en dus minder nutriënten in oppervlaktewater; akkerranden kunnen zorgen voor bestuivers en plaagbestrijders en daarmee voor minder gebruik van chemische gewasbescherming. Brede toepassing van ‘goede landbouw praktijk’, onderdeel van de Nitraatrichtlijn, kan bijdragen aan de verbetering van de waterkwaliteit. In welke mate goede landbouwpraktijk en verduurzaming van de landbouw voldoende kan zijn om aan de opgaven van de KRW te voldoen wordt op dit moment onderzocht in regionale analyses, gevolgd door een overkoepelende nationale analyse in het kader van de Delta-aanpak en een ex ante evaluatie van de KRW in 2019.

Referenties

  • Freriks, Annelies, Andrea Keessen, Daan Korsse, Marleen van Rijswick en Kees Bastmeijer 2016. Zover het eigen instrumentarium reikt. Universiteit Utrecht, Universiteit van Tilburg, 13 juni 2016
  • Gaalen, Frank van, Aaldrik Tiktak, Ron Franken, Erwin van Boekel, Peter van Puijenbroek en Hanneke Muilwijk 2016. Waterkwaliteit nu en in de toekomst. Eindrapportage ex ante evaluatie van de Nederlandse plannen voor de Kaderrichtlijn Water, Den Haag: PBL
  • Groenendijk, P., L.V. Renaud, C. van der Salm, H.H. Luesink, P.W. Blokland & T.J. de Koeijer (2015), Nitraat en N- en P-uitspoeling bij de gebruiksnormen van het 5de NAP : modelberekeningen met MAMBO en STONE. Wageningen: Alterra Wageningen UR.
  • Groenendijk, P., G.L. Velthof, J.J. Schröder, T.J. de Koeijer en H.H. Luesink, (2017), Milieueffectrapportage van maatregelen zesde Actieprogramma Nitraatrichtlijn; Op Planniveau. Wageningen Environmental Research, rapport 2842.
  • Groenendijk, P., G.L. Velthof, J.J. Schröder, T.J. de Koeier en H.H. Luesink 2017. Milieueffectrapportage van maatregelen zesde Actieprogramma Nitraatrichtlijn; Op Planniveau. Wageningen Environmental Research, Rapport 2842
  • Moermond CTA, CE Smit, RC van Leerdam, NGFM van der Aa en MHMM Montforts 2016. Geneesmiddelen en waterkwaliteit. RIVM Briefrapport 2016-0111
  • Osté, Leonard, Anja Derksen, Els Smit, Rob Berbee, Thomas ter Laak, Nanette van Duijnhoven en Dorien ten Hulscher 2017. Naar een strategie voor opkomende stoffen. Deltares, 1230099-007
  • RIVM 2018. Identificatie van potentiële Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). Notitie, 19 januari 2018
  • Velthof, G.L., F.H. Kistenkas, P. Groenendijk, E.M.P.M. van Boekel en O. Oenema 2018. Wettelijk instrumentarium voor maatregelen om waterkwaliteit te verbeteren. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, Wageningen, concept 23 februari 2018
  • Verschoor A, L de Poorter, E Roex en B Bellert 2014. Quick scan and Prioritization of Microplastic Sources and Emissions. RIVM Report 2014-0156

Naam van het gegeven

Kwaliteit oppervlaktewater KRW

Omschrijving

De beoordeling van de KRW voor het Nederlandse oppervlaktewater. Het eindoordeel is opgebouwd uit de chemische toestand en de ecologische toestand, hier omschreven als de chemische en ecologische kwaliteit. De ecologische toestand wordt bepaald door de overig relevante stoffen, de fysisch-chemische kwaliteit en de biologische toestand.

Verantwoordelijk instituut

Planbureau voor de Leefomgeving; auteurs: Frank van Gaalen

Berekeningswijze

Beoordeling conform de KRW maatlatten systematiek

Basistabel

Beoordeling van de waterlichamen voor alle maatlatten. Definitieve resultaten afkomstig van http://www.waterkwaliteitsportaal.nl/

Geografisch verdeling

Nederland

Verschijningsfrequentie

Eens per 6 jaar wordt gerapporteerd.

Achtergrondliteratuur

IenM, 2015. Stroomgebied beheerplan. Rijndelta. Ministerie van Infrastructuur en Milieu
IenM, 2015. Stroomgebied beheerplan. Maas. Ministerie van Infrastructuur en Milieu
IenM, 2015. Stroomgebied beheerplan. Schelde. Ministerie van Infrastructuur en Milieu
IenM, 2015. Stroomgebied beheerplan. Eems. Ministerie van Infrastructuur en MilieuMolen, D.T.v.d., Pot, R., Evers, C.H.M., Nieuwerburgh, L.L.J.v., 2012. Referenties en maatlatten voor natuurlijke watertypen voor de Kaderrichtlijn Water 2015-2021. Stowa, Amersfoort.Gaalen F. van, A. Tiktak, R. Franken, E. van Boekel, P. van Puijenbroek & H. Muilwijk (2016), Waterkwaliteit nu en in de toekomst. Eindrapportage ex ante evaluatie van de Nederlandse plannen voor de Kaderrichtlijn Water. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.

Betrouwbaarheidscodering

Integrale enquete