Planbureau voor de Leefomgeving
De studie 'Langer zelfstandig wonen in een geschikte woonomgeving' (mei 2019) is onderdeel van een breder PBL-project naar het langer zelfstandig wonen van ouderen. Voor meer informatie over dit project: femke.daalhuizen@pbl.nl
Femke Daalhuizen
Carola de Groot
George de Kam

Langer zelfstandig wonen in een geschikte woonomgeving

Project Langer Zelfstandig Wonen van Ouderen

Laatst gewijzigd op 27 mei 2019

Ouderen wonen steeds vaker en langer zelfstandig, ook wanneer zij minder mobiel worden en meer behoefte krijgen aan zorg. Met het ouder worden neemt het belang van de woonomgeving dan ook toe. Maar die omgeving is lang niet altijd geschikt om oud in te worden. Zo zijn vooral in de landelijke gebieden de supermarkt, huisarts, apotheek en openbaarvervoerhaltes vaak niet op loopafstand. In dergelijke gebieden is bovendien het zorgvangnet vaak klein.

In deze notitie verkennen we twee mogelijke, elkaar versterkende oplossingen voor dit knelpunt: het inrichten van de woonomgeving met een op ouderen afgestemd diensten- en voorzieningenniveau (woonservicegebieden) en het investeren in digitale infrastructuur om e-health, domotica en digitale diensten te ondersteunen.  De notitie is onderdeel van een breder onderzoek van het PBL naar ‘het langer zelfstandig wonen van ouderen’.

Inleiding: vergrijzing vraagt om geschikte woning én woonomgeving

De Nederlandse bevolking vergrijst in de komende decennia in een rap tempo. Dit komt door het grote aantal babyboomers – de generatie die is geboren in de periode 1945-1965 – dat de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt of in de komende jaren met pensioen gaat. De vergrijzing doet zich voor in heel Nederland, in absolute zin vooral in de steden, in relatieve zin vooral op het platteland (Van Dam et al. 2013).

De ouderen van vandaag en morgen wonen vaker zelfstandig dan de ouderen van voorheen. Zij willen dit niet alleen zelf (Van Dam et al. 2013; Rli 2014), maar ook het overheidsbeleid is hierop gericht. Met de Hervorming Langdurige Zorg (HLZ) beoogt het kabinet dat ouderen langer zelfstandig wonen en dat zij niet of pas veel later – als zij een intensieve vorm van zorg nodig hebben – naar een zorginstelling verhuizen (zie bijvoorbeeld Van Campen et al. 2017). Dus niet alleen gezonde ouderen, maar ook ouderen met (lichte) beperkingen wonen langer zelfstandig.

Niet alleen gezonde ouderen, ook ouderen met beperkingen wonen langer zelfstandig

Zelfstandig wonen vergt niet alleen zelfredzaamheid van ouderen, maar ook een geschikte woonsituatie. In het politieke en maatschappelijke debat gaat het daarbij vooral over het geschikt zijn of maken van de woning, en lijkt de geschiktheid van de woonomgeving minder concreet aandacht te krijgen. Zo wordt in de Actielijn Wonen en Zorg, die de ministers van BZK en VWS op 18 juni 2018 naar de Tweede Kamer stuurden , het belang van voorzieningen en ontmoetingsmogelijkheden weliswaar genoemd , maar draait het in de uitwerking ervan vooral om vernieuwende woonconcepten en het aanpassen van woningen.  Toch is het in een woning die geschikt is lastig om zelfredzaam te zijn als de woonomgeving dat niet is. Volgens Rijksbouwmeester Floris Alkemade zijn veel buurten en wijken niet (voldoende) ingericht op de sterke vergrijzing.  De geschiktheid van de woning en die van de woonomgeving of de buurt moeten dan ook in samenhang worden bezien. 

In deze notitie onderzoeken we de geschiktheid van de woonomgeving eerst aan de hand van de nabijheid van primaire voorzieningen.  Vervolgens kijken we naar de potentieel beschikbare hulp en zorg door mantelzorgers en zorgprofessionals (zie ook Daalhuizen et al. 2018).  Tot slot verkennen we twee gebiedsgerichte oplossingen die elkaar kunnen versterken: woonservicegebieden om het fysieke en sociale domein met elkaar te verbinden en investeringen in de digitale infrastructuur om e-health, domotica en digitale diensten te ondersteunen.

Voor ouderen geschikte woningen staan vaak in minder geschikte woonomgevingen

In dit onderzoek leiden we de fysieke geschiktheid van de woning af van de woninggeschiktheidsindicator van RIGO . Volgens deze indicator is een woning ‘geschikt’ als de woonkamer en de slaap- en badgelegenheid of gelijkvloers zijn of ‘nul-treden’ te maken zijn, bijvoorbeeld door aanleg van een traplift, met een maximale investering van 10.000 euro.

Of een buurt als woonomgeving geschikt is om zelfstandig te kunnen blijven wonen, wordt bepaald door een drietal factoren: fysieke (bijvoorbeeld de inrichting van de gebouwde omgeving), functionele (zoals de aanwezigheid en nabijheid van primaire en secundaire voorzieningen) en sociale factoren (bijvoorbeeld de contacten in de buurt) (Van den Berg et al. 2015; Van Campen et al. 2017; Driest 2004; Höppner & Arnold 2013; Timmermans et al. 2016). In deze paragraaf gaan we in op de functionele dimensie.

In een geschikte woonomgeving bevinden arts, apotheek, supermarkt en ov zich op maximaal 500 meter afstand

Een functioneel geschikte woonomgeving definiëren we hier als een woonomgeving waar primaire voorzieningen op een loopafstand zijn binnen 500 meter (over de weg) vanaf de woning. Die primaire voorzieningen zijn een arts, apotheek en supermarkt en een openbaarvervoerhalte. De afstand van 500 meter staat gelijk aan 10 tot 20 minuten wandelen voor 70+-ouderen zonder beperking  (Burton & Mitchell 2006, Timmermans et al. 2016). Woningen met geen of slechts één van die voorzieningen binnen 500 meter afstand, liggen in een weinig of niet geschikte woonomgeving. De kwaliteit en beleving van de openbare ruimte, bijvoorbeeld of er bankjes, gemakkelijke oversteekplaatsen of ontmoetingsplekken zijn, zijn niet onderzocht. Daarnaast is ook niet nagegaan hoe ouderen de geschiktheid van hun woonomgeving zelf ervaren, beleven of in belang afwegen tegen de fysieke en/of sociale omgeving (zie daarvoor bijvoorbeeld Van Dijk 2015; Lager 2015). Uiteraard kan een functioneel minder geschikte woonomgeving in de optiek van een oudere prima geschikt zijn en andersom. Zo ook kan de gemeten afstand over de weg verschillen van de beleving van wat bereikbaar is (De Kam et al. 2012).

Figuur 1 laat zien dat de gebieden waarin een relatief groot deel van de ouderen in een geschikte woning woont, tegelijkertijd de gebieden zijn waar de woonomgeving in functionele zin minder geschikt is om zelfstandig te kunnen blijven wonen. Het gaat hier vooral om gelijkvloerse of gelijkvloers te maken woningen in landelijke gebieden met een grotere afstand tot voorzieningen. En andersom geldt dat ouderen die in een redelijke tot zeer geschikte woonomgeving wonen, relatief vaak in een ongeschikte woning wonen die ook niet is aan te passen. Vaak gaat het hier om gestapelde woningen in grootstedelijke gebieden, zoals portiekwoningen. Ter illustratie: in de Achterhoek woont slechts 3,5 procent van alle 65-plushuishoudens in een ongeschikte woning, terwijl gemiddeld maar liefst 60 procent in een woonomgeving woont waarin er geen of nauwelijks voorzieningen binnen een loopafstand van 500 meter zijn. Voor de regio Groot Amsterdam geldt dat gemiddeld 20 procent van alle 65-plushuishoudens in een ongeschikte woning leeft, en gemiddeld ‘maar’ 37 procent in een ongeschikte woonomgeving. 

Woonomgevingen met beperkte voorzieningen hebben vaak ook een kleiner zorgvangnet

Of een woonomgeving geschikt is, is niet alleen afhankelijk van functionele kenmerken, maar wordt mede bepaald door de samenhang tussen fysiek aanwezige voorzieningen én sociale (zorg)structuren. In deze paragraaf verkennen we die sociale dimensie.

Meer ouderen en vooral meer oude ouderen betekent een toenemende vraag naar zorgprofessionals; over het algemeen krijgen mensen namelijk rond de 75 jaar te maken met chronische aandoeningen (Hoogendijk et al. 2016, Van Campen et al. 2017). Van de totale potentiële beroepsbevolking werkte in 2015 bijna 4 procent in de zorg. Als het aantal ouderenzorgbanen  evenredig moet meegroeien met het aantal 75-plussers zou dat aandeel moeten toenemen naar bijna 7 procent in 2040  (Daalhuizen et al. 2018).

In landelijke gebieden houdt het aantal banen in de ouderenzorg geen gelijke tred met de toenemende vraag naar zorg

Vooral in de landelijke gebieden, waar de potentiële beroepsbevolking kleiner wordt en het aandeel ouderen toeneemt, kan het aantal banen in de ouderenzorg naar verwachting geen gelijke tred houden met de toenemende vraag naar zorg (zie figuur 2). Nu al wordt in landelijke gebieden bijvoorbeeld de ambulancenorm vaker structureel niet gehaald dan in de stedelijke gebieden, onder meer door de lagere dichtheid van ambulanceposten en het relatief hoge aandeel oproepen onder de verouderende bevolking (Nederlandse Zorgautoriteit 2016a ).

Naast de zorgprofessionals kan het eigen vrienden- en familienetwerk een bron zijn van structurele hulp bij persoonlijke verzorging of huishoudelijke taken. Mantelzorg is namelijk een belangrijke pijler in het beleid om ouderen langer zelfstandig thuis te laten wonen. Het mantelzorgpotentieel is niet overal en altijd even groot. Vooral in de landelijke (krimp)gebieden komt het mantelzorgpotentieel onder druk te staan (Daalhuizen et al. 2018). De meer landelijke gebieden aan de randen van Nederland hebben relatief weinig potentiële mantelzorgers per 75-plusser. En de komende jaren groeit de groep oude ouderen, terwijl de groep in de leeftijd van 50 tot 75 jaar die vaak mantelzorg verleent, slinkt . In 2040 wordt daardoor een halvering van het mantelzorgpotentieel voorzien.

De landelijke gebieden hebben relatief weinig potentiële mantelzorgers

Naast mantelzorg kan ook vrijwilligerswerk een bron van steun zijn. In 2014 boden ruim 4 miljoen mensen mantelzorg (exclusief huisgenoten) en bijna 1 miljoen mensen vrijwilligerswerk (SCP 2015). Maar deze mogelijke steun komt uit (deels) hetzelfde deel van de bevolking als de potentiële beroepsbevolking en het mantelzorgpotentieel.

In gebieden die vanuit functioneel oogpunt matig tot niet geschikt zijn om ook op hoge leeftijd bij toenemende gebreken zelfstandig te blijven wonen, is dus ook weinig formele en informele zorg en ondersteuning aanwezig.

Omgeving kan voor ouderen verbeteren met e-health, domotica en digitale diensten

Digitale en technologische innovaties zouden het gebrek aan voorzieningen en (mantel)zorg deels kunnen opvangen. In de eerste plaats stellen technologische innovaties ouderen in staat om de buitenwereld naar binnen te halen: meer dan voorheen kunnen zaken vanuit huis worden geregeld. Zo kunnen boodschappen en medicijnen aan huis worden geleverd (de ‘bezorgingsstaat’) en kunnen via digitale media sociale contacten worden onderhouden. Technologieën kunnen zo ook de kans op negatieve effecten van thuis ouder worden, zoals eenzaamheid en sociale isolatie, verminderen (Sixsmith & Sixsmith 2008). Dit betekent mogelijk dat bij lichamelijke beperkingen de ‘nabijheid’ van voorzieningen steeds minder bepalend wordt, terwijl het belang van digitale vaardigheden toeneemt (De Kam, te verschijnen).

Digitale en technologische innovaties kunnen bijdragen aan het welzijn van ouderen

In de tweede plaats kunnen technologische innovaties zoals e-health en domotica het werk van professionals makkelijker maken. Dergelijke innovaties verhogen het comfort in huis en kunnen kleine zorgtaken overnemen, met bijvoorbeeld zorgrobots die stofzuigen of steunkousen aantrekken. Ook maken ze het mogelijk om vanaf een afstand te monitoren of het lichamelijk goed gaat met een oudere, waardoor mogelijk hetzelfde aantal ouderen kan worden ondersteund en verzorgd met minder zorgprofessionals en minder huisbezoeken. Daarmee zouden technologieën kunnen bijdragen aan zowel het welzijn van ouderen alsmede aan een efficiënte inzet van professionele zorg en ondersteuning.

Zoals we in de publicatie Zorg om banen in de ouderenzorg  (Daalhuizen et al. 2019) hebben opgemerkt, is de digitale infrastructuur die nodig is voor e-health- en domotica-toepassingen lang niet overal aanwezig (Daalhuizen et al. 2018). Er is namelijk een kloof (digital divide) tussen digitaal goed ontsloten stedelijke gebieden en de minder ontsloten landelijke gebieden.  In stedelijke gebieden verloopt de introductie en adoptie van nieuwe technieken via glasvezel en 4G/5G mobiele netwerken namelijk sneller dan in landelijke gebieden, waar de dekkingsgraad achterblijft (Salemink et al. 2017; Townsend et al. 2013). Dit komt doordat de aanleg van snel internet vooral rendabel is bij een grote abonneedichtheid, dus in stedelijk gebied. Ook wat betreft de digitale diensten loopt het platteland achter; zo zijn de mogelijkheden om online boodschappen te bestellen nog steeds beperkt .

Technologische oplossingen komen op het platteland lastig van de grond

Al met al lijken oplossingen in de technologische sfeer dus met name lastig van de grond te komen in gebieden die er het meeste baat bij zouden kunnen hebben: gebieden die worden gekenmerkt door een schraal voorzieningenniveau (weinig of geen primaire voorzieningen binnen 500 meter) en een relatief dun professioneel en mantelzorgvangnet.

De vraag is of en in hoeverre overheidsinspanning hierin verandering teweeg kan brengen. Hoewel de toegang tot snel internet geen nutsvoorziening is, is het voor overheden wel mogelijk om breedbandinternet aan te leggen binnen de Europese regelgeving. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Duitsland lijken overheden zich in Nederland wat afzijdig te houden bij de ontwikkeling van een snelle digitale infrastructuur (zie bijvoorbeeld Noordelijke Rekenkamer 2018). Toch zijn er wel uitzonderingen op de regel. Zo gaat de regio Rivierenland aan de slag om een breedbandnetwerk aan te leggen om op die manier huishoudens in de buitengebieden van snel internet te voorzien, na recentelijk toestemming te hebben gekregen van de Europese Commissie.  Naast snel internet kunnen educatie en voorlichting helpen om het draagvlak en het gebruik van e-health en domotica te vergroten. Veel mensen die zorg nodig hebben zijn niet op de hoogte van het aanbod en de mogelijkheden ervan. En ook zorgverleners weten vaak niet welke technologische middelen zij waarvoor kunnen inzetten, waardoor het gebruik ervan achterblijft bij het aanbod en opschaling ervan uitblijft  (Daalhuizen et al. 2018).

Woonservicegebieden als basis voor inrichting i-omgeving

Dorpen in de landelijke gebieden die hun zorgvoorziening willen verbeteren, kunnen mogelijk lessen trekken uit de ervaringen die zijn opgedaan in woonservicegebieden. Verspreid over Nederland zijn er zo’n honderd van dergelijke woonservicegebieden. Een woonservicegebied is een buurt, wijk of dorp dat wordt gekenmerkt door een relatief groot aantal voorzieningen en een nauwe samenwerking tussen zorg en welzijnspartijen, al dan niet in wijkteams.

Er zijn drie typen woonservicegebieden:
(1) zonaal woonservicegebied waar een zorgcentrum fungeert als dienstencentrum van waaruit zorg en welzijn worden georganiseerd voor het omliggende gebied. Het zorgcentrum heeft in de nabijheid levensloopbestendige woningen (zoals aanleunwoningen).
(2) STAGG  woonservicegebied met een ideaaltypische stedenbouwkundige structuur waar een belangrijke rol is weggelegd voor een multifunctioneel wijkcentrum en barrièrevrije looproutes naar dit centrum. Rondom het multifunctionele wijkcentrum liggen zorgwoningen en kleinere ontmoetingspunten, waarbij het aantal beschermde en verzorgde woonvormen en levensloopbestendige woningen is afgestemd op de behoefte van een wijk tot 10.000 inwoners.
(3) Netwerk woonservicegebied dat wordt gekenmerkt door een sterke samenhang tussen zorg- en welzijnsdiensten en waar het minder dan bij de eerder genoemde vormen gaat om fysieke clustering van woonzorgvoorzieningen. Dit type is – naast in wat mindere mate het zonale type – gangbaar in meer rurale omgevingen.

In een woonservicegebied wonen ouderen langer zelfstandig, ook met beperkingen

Een onderzoek uit 2012 laat zien dat ouderen in een woonservicegebied (‘proeftuin’) beter af zijn dan ouderen die niet in een woonservicegebied wonen (‘controlegebied’).  Niet alleen wonen ouderen langer zelfstandig in een woonservicegebied; een woonservicegebied draagt ook bij aan een hoger welbevinden en een lager beroep op professionele zorg en ondersteuning, zeker als de ouderen in aangepaste woningen wonen (De Kam et al. 2012). Dit is relevant gezien de eerdere constatering dat het zorgvangnet slinkt, zowel in de formele als informele sfeer.

Een vervolgonderzoek naar het functioneren van woonservicegebieden op basis van registerdata en 38 gesprekken met lokale professionals bevestigt ten dele de conclusies uit 2012  (De Kam, te verschijnen).

Gemiddeld genomen blijven ouderen in woonservicegebieden relatief lang zelfstandig wonen, ook met beperkingen . Het aandeel woningen dat geschikt is of tegen beperkte kosten geschikt te maken is, is er groter. De kwetsbare mensen in woonservicegebieden blijken inderdaad vaker in een geschikte woning te wonen dan kwetsbare mensen buiten dat soort gebieden (Leidelmeijer et al. 2017). Zij verhuizen minder vaak naar een andere wijk en minder vaak naar een instelling (binnen én buiten de wijk). Hoewel de primaire voorzieningen (supermarkt, apotheek en huisarts) in een woonservicegebied niet ‘nabijer’ zijn dan in de controlegebieden, geldt wél dat ouderen in een woonservicegebied vaker een woonzorglocatie en ov-halte op loopafstand hebben. En juist zo’n woonzorglocatie heeft zelfstandig wonende ouderen vaak aanvullende (buurt)voorzieningen te bieden, zoals dagverzorging, een restaurant, een winkeltje, een steunpunt, een prikpost en mogelijkheden voor bijvoorbeeld fysiotherapie. Als de woonomstandigheden in orde zijn en de voorzieningen voor ouderen aanwezig of bereikbaar zijn, kunnen formele en informele vormen van ondersteuning en zorg beter worden georganiseerd, voor bewoners én omwonenden.

Welbevinden blijft beter op peil als de informele en formele zorg goed op elkaar zijn afgestemd

De belangrijkste les die uit de ervaringen in woonservicegebieden kan worden getrokken, is dat de mogelijkheid om lang en met behoud van kwaliteit van leven thuis te wonen, niet alleen afhangt van de geschiktheid van woningen en de functionele en sociale kwaliteit van de woonomgeving. Het gaat ook om de institutionele vormgeving van die omgeving: welbevinden blijft beter op peil als rond het dagelijks leven zoals een oudere dat zelf wil leiden, de informele en formele zorg en ondersteuning goed op elkaar worden afgestemd.

De sterke samenhang in zorg- en welzijnsdiensten en de specifieke doelstelling om ouderen langer zelfstandig te laten wonen, maakt ook dat woonservicegebieden een robuuste basis kunnen bieden voor de introductie van nieuwe technologieën en de voorlichting daarover. Met implementatie van e-health en domotica is de reikwijdte van het functioneren van woonservicegebieden te vergroten . Ouderen in de landelijke gebieden, vooral de ouderen die in het buitengebied buiten de dorpskernen wonen, kunnen hiervan profiteren omdat hun woonomgeving vanuit functioneel oogpunt minder geschikt is en het zorgvangnet er relatief dun is. De nieuwe technologieën kunnen niet alleen de praktische, functionele voorzieningen vervangen of aan huis brengen, maar zijn ook belangrijk voor het onderhouden van sociale contacten en bieden van zorg. Juist de ouderen in de buitengebieden kunnen daarom bij uitstek baat hebben bij investeringen in de digitale infrastructuur.

Besluit

Het langer zelfstandig wonen van ouderen verdient een integrale blik. Een geschikte woning is een belangrijke voorwaarde maar op zichzelf niet voldoende om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen. De woonomgeving is net zo goed van belang, evenals een zorgvangnet – formeel én informeel – aangezien veel thuiswonende ouderen met het stijgen van de leeftijd op een gegeven moment behoefte krijgen aan zorg en ondersteuning.

Zo lang mogelijk zelfstandig wonen, ook bij toenemende beperkingen, vereist een goede (institutionele) samenhang tussen het fysieke, functionele domein en het sociale (zorg)domein. Dat gebeurt niet vanzelfsprekend, onder meer doordat geschikte woningen zich vaak bevinden in een functioneel ongeschikte woonomgeving.

In landelijke gebieden van Nederland lijken de potentiële knelpunten bij het langer zelfstandig wonen zich op te stapelen. Enerzijds omdat voorzieningen vaak niet op loopafstand zijn en anderzijds omdat het zorgvangnet klein is in vergelijking met meer grootstedelijke gebieden in de Randstad. En als gevolg van de demografische ontwikkelingen zullen deze knelpunten in de toekomst vermoedelijk eerder groter dan kleiner worden.

Met een goed ingerichte digitale omgeving is de kans groter ouderen langer zelfstandig thuis kunnen wonen

Met een goed ingerichte digitale omgeving is de kans groter dat ouderen langer zelfstandig thuis kunnen wonen. Door toepassing van (nu nog beperkt beschikbare) innovaties in domotica en e-health is ook in meer landelijke gebieden een verbreding van het voorzieningenaanbod te realiseren, met een gunstig effect op het welzijn van ouderen. De bekendheid met en toepassing van domotica, e-health en digitale (zorg)diensten kunnen worden vergroot om zo comfort, voorzieningen en zorg ‘dichter bij’ (of in) huis te brengen. Zelforganisatie, lokale of regionale coöperaties voor zorg en ondersteuning, en slimme combinaties van functies vormen bouwstenen voor de gewenste vernieuwing van de omgeving waarin mensen oud worden.

Om innovaties te kunnen invoeren en benutten en te komen tot de organisatie van de digitale voorzieningenstructuur, is de institutionele vormgeving van de omgeving waarin het fysieke en sociale domein zijn vervlochten evenzeer van belang. Zo lijkt in woonservicegebieden niet alleen de nabijheid van primaire voorzieningen en de geschikte woningvoorraad, maar vooral de brede (functionele én institutionele) vormgeving van woonzorglocaties verschil te maken in het welzijn of welbevinden van ouderen. Het vermoeden is dat ouderen in woonservicegebieden langer zelfstandig thuis kunnen wonen dan elders, doordat partijen hier een institutioneel kader hebben weten op te bouwen dat voorziet in de verbinding tussen het fysieke domein en het zorg- en welzijnsdomein. Zo’n domeinoverstijgend institutioneel kader kan ook een robuuste voedingsbodem zijn voor het introduceren en accepteren en gebruiken van nieuwe technologieen. Een beperking is vooralsnog dat landelijke gebieden vaak minder goed ontsloten zijn, ook wat digitale infrastructuur betreft.

Bronnen

Berg, P. van den, A. Kemperman, B. de Kleijn & A. Borgers (2015), Locations that support social activity participation of the aging population. International Journal of Environmental Research and Public Health, 12 (9): 10432-10449.

Burton, E. & L. Mitchell (2006), Inclusive urban design. Streets for life. Architectural Press Elsevier.

Campen, C. van, J. Iedema, M. Broese van Groenou & D. Deeg (2017), Langer zelfstandig. Ouder worden met hulpbronnen, ondersteuning en zorg. SCP, Den Haag.

Daalhuizen, F., C. de Groot & H. van Amsterdam (2018), Zorg om banen in de ouderenzorg. PBL, Den Haag.

Dam, van F., F. Daalhuizen, C. de Groot, M. van Middelkoop & P. Peeters (2013), Vergrijzing en ruimte. Gevolgen voor de woningmarkt, vrijetijdsbesteding, mobiliteit en regionale economie. PBL, Den Haag.

Dijk, H. van (2015), Neighbourhoods for ageing in place. Erasmus Universiteit, Rotterdam.

Driest, P. (2004), Woonbehoefte in tijden van vergrijzing. In: M. van Well (2004), Beter bouwen en bewonen. Een praktijkgerichte toekomstverkenning, pp. 170-175. Stichting Toekomstbeeld der Techniek, Den Haag.

Hoogendijk, E., B. Suanet, E. Dent, D. Deeg & M. Aartsen (2016), Adverse effects of frailty on social functioning in older adults: results from the Longitudinal Aging Studies Amsterdam. Maturitas, 83: 45-50.

Höppner, R. & J. Arnold (2013), Ankerpunten voor Rotterdamse ouderen. Agora, 3: 16-19.

Jong, A. de & S. Kooiker (2018), Regionale ontwikkelingen in het aantal potentiële helpers van ouderen tussen 1975-2040. PBL/SCP, Den Haag.

Klerk, M. de, A. de Boer, I. Plaisier, P. Schyns & S. Kooiker (2015), Informele hulp: wie doet er wat? Omvang, aard en kenmerken van mantelzorg en vrijwilligerswerk in de zorg en ondersteuning in 2014. SCP, Den Haag.

Kam, G. de, D. Damoiseaux, L. Dorland & R. Pijpers & M. van Biene, E. Jansen & J. Slaets (2012), Kwetsbaar en zelfstandig. Een onderzoek naar de effecten van woonservicegebieden voor ouderen. Radboud Universiteit, Nijmegen.

Kam, G. de (te verschijnen), Woonservicegebieden: theorie en praktijk. RuG, Groningen.

Lager, D. (2015), Perspectives on ageing in place. Older adults’ experiences of everyday life in urban neighbourhoods. RuG, Groningen.

Minister Kamp (2016), Brief Verkenning digitale connectiviteit. Kenmerk DGETM-TM / 16166421. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.

Pers, M. van der (2016), Intergenerational proximity, residential relocations and the well-being of older people. Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen RuG, Groningen.

Putman, L., D. Verbeek-Oudijk & M. de Klerk (2016), Zorg en ondersteuning in Nederland: kerncijfers 2016. Ontvangen hulp bij het huishouden, persoonlijke verzorging, verpleging en begeleiding. SCP, Den Haag.

Rli (2014), Langer zelfstandig, een gedeelde opgave van wonen, zorg en welzijn. Rli, Den Haag.

Schilder, F., F. Daalhuizen & C. de Groot (2018), Krasse knarren kúnnen kraken: over hoe het stapelen van verschillende beleidsdoelen ouderen onder druk kan zetten. PBL, Den Haag.

Sixsmith, A. & J. Sixsmith (2008), Ageing in Place in the UK. Ageing International, 32: 219-235.

Timmermans, E., L. Schaap, M. Visser, H. van der Ploeg, A. Wagtendonk, S. van der Pas & D. Deeg (2016), The association of the neighbourhood built environment with objectively measured physical activity in older adults with and without lower limb osteoarthritis. BMC Public Health, 16: 710-722.

Colofon

Langer zelfstandig wonen in een geschikte woonomgeving

© PBL Planbureau voor de Leefomgeving

Den Haag, mei 2019

PBL-publicatienummer: 3335

Contact

femke.daalhuizen@pbl.nl

Auteurs

Femke Daalhuizen, Carola de Groot en George de Kam

Met dank aan

Kees Leidelmeijer (RIGO) en Marieke van der Staak (PBL)

Redactie figuren

Beeldredactie PBL

Foto

Maarten Udema Fotografie / Nationale Beeldbank

Eindredactie en productie

Uitgeverij PBL

Delen uit deze publicatie mogen worden overgenomen op voorwaarde van bronvermelding: Daalhuizen, F. C. de Groot & G. de Kam (2019), Langer zelfstandig wonen in een geschikte woonomgeving, Den Haag: PBL.

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is het nationale instituut voor strategische beleidsanalyses op het gebied van milieu, natuur en ruimte. Het PBL draagt bij aan de kwaliteit van de politiek-bestuurlijke afweging door het verrichten van verkenningen, analyses en evaluaties waarbij een integrale benadering vooropstaat. Het PBL is vóór alles beleidsgericht. Het verricht zijn onderzoek gevraagd en ongevraagd, onafhankelijk en wetenschappelijk gefundeerd.