Planbureau voor de Leefomgeving

Keuzes voor de Leefomgeving 2025

Laatst gewijzigd op 30 september 2025

Tineke Dijkstra

De leefomgeving staat onder druk. Dat is te merken aan de gevolgen van klimaatverandering, die steeds meer zichtbaar zijn. Aan het grote en hardnekkige woningtekort. Aan de natuur, waarvoor dringend behoefte is aan herstelmaatregelen, en aan de vastgelopen discussie over de toekomst van de landbouw. Ondertussen lukt het ook nog onvoldoende om zuiniger om te gaan met grondstoffen en om de energie-intensieve industrie te verduurzamen. Deze complexe problemen hebben grote gevolgen voor de samenleving, de economie en de leefbaarheid van Nederland. De politiek moet keuzes maken over hoe Nederland wil omgaan met deze problemen.

In aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen en kabinetsformatie brengt het PBL daarom twaalf belangrijke opgaven op het gebied van de leefomgeving in beeld. Hiermee willen we bijdragen aan een goed geïnformeerd politiek-maatschappelijk debat en dito formatiefase. Het doel van deze publicatie is om politici en beleidsmakers te helpen een scherpe discussie te voeren over mogelijke keuzes. We hopen dat dit helpt om knopen door te hakken en voortvarend aan de slag te gaan met de uitvoering, zonder de ogen te sluiten voor wat de gemaakte keuzes juist ook uitsluiten en wat de gevolgen daarvan zijn.

Hieronder lichten we steeds een opgave toe en schetsen we per opgave drie keuzes als mogelijke richtingen. Afhankelijk van de aard van de opgave zijn het keuzes die elkaar uitsluiten of die juist te combineren zijn in verschillende mate van intensiteit. De genoemde keuzes zijn niet noodzakelijkerwijs aanbevelingen. In de te downloaden volledige publicatie worden de keuzes verder uitgewerkt en de gevolgen ervan besproken.

De figuur biedt een overzicht van de publicatie. Het kabinet staat voor een twaalftal opgaven waarop het keuzes moet maken. Daarbij dient het vier afwegingen in het achterhoofd te houden: (1) over beschikbaar budget en verdeling daarvan, (2) over de mate waarin gekozen opties bij elkaar passen, (3) over welke rol de overheid pakt, en (4) over of langetermijnbelangen geborgd zijn. De figuur biedt een overzicht van de publicatie. Het kabinet staat voor een twaalftal opgaven waarop het keuzes moet maken. Daarbij dient het vier afwegingen in het achterhoofd te houden: (1) over beschikbaar budget en verdeling daarvan, (2) over de mate waarin gekozen opties bij elkaar passen, (3) over welke rol de overheid pakt, en (4) over of langetermijnbelangen geborgd zijn.

Hoe wordt Nederland klimaatbestendig?

Het klimaat verandert snel. Nederland wordt warmer, natter en droger en de zeespiegel stijgt. De gevolgen voor mens, economie en natuur zijn nu al merkbaar. Deze zullen toenemen in de toekomst: klimaatverandering leidt tot extra sterfte door extreme hitte, er ontstaat funderingsschade aan gebouwen door lage grondwaterstanden, natuur droogt uit en er is meer wateroverlast in steden en dorpen door extreme regenval. Nederland wil in 2050 klimaatbestendig zijn. Maar wat betekent dit nu precies? Welk beschermingsniveau wil Nederland? Hoe wil het kabinet dat Nederland zich aanpast aan klimaatverandering en welke adaptatiemaatregelen passen daarbij?

Effecten van klimaatverandering op de leefomgeving. Bij droogte daalt de grondwaterstand en verdroogt de natuur. Dit zorgt voor schade aan landbouwgewassen en natuur, maar ook voor natuurbranden en funderingsschade aan gebouwen. Bij hitte warmt de stad op, met slechtere water- en luchtkwaliteit en hogere ziektelast tot gevolg. Bij extreme neerslag lopen straten en kelders onder water met aquaplaning, waterschade en schimmelgroei als gevolg. Effecten van klimaatverandering op de leefomgeving. Bij droogte daalt de grondwaterstand en verdroogt de natuur. Dit zorgt voor schade aan landbouwgewassen en natuur, maar ook voor natuurbranden en funderingsschade aan gebouwen. Bij hitte warmt de stad op, met slechtere water- en luchtkwaliteit en hogere ziektelast tot gevolg. Bij extreme neerslag lopen straten en kelders onder water met aquaplaning, waterschade en schimmelgroei als gevolg.

Drie mogelijke richtingen

Zelfredzamer: de gevolgen accepteren

Het kabinet kan ervoor kiezen om geen extra beleid te ontwikkelen en de extra gevolgen van klimaatverandering te accepteren. Burgers en bedrijven worden vooral zelf verantwoordelijk om met het veranderende klimaat om te gaan. Ze kunnen bijvoorbeeld een airco aanschaffen. Boeren blijven hun gewassen beregenen. Adaptatie blijft daarnaast sterk verschillen per sector. De overheid heeft vooral een reactieve rol bij crisis beheersing, zoals zorgen voor zandzakken bij overstroming. De brandweer blust natuurbranden, en het RIVM activeert het Nationale Hitteplan bij extreme temperaturen.

Weerbaarder: de gevolgen beperken

Het kabinet kan er ook voor kiezen om de gevolgen van klimaatverandering voor burgers en bedrijven te beperken. Gebruiksfuncties blijven zoveel mogelijk op dezelfde plek, terwijl de overlast wordt beperkt. De overheid stimuleert actief maatregelen om burgers en bedrijven weerbaarder te maken, zoals subsidies voor airco’s tegen hitte, en faciliteert kunstmatige aanvoer van water bij droogte. De crisisbeheersing wordt uitgebreid door bijvoorbeeld evacuatieroutes en vluchtplaatsen vast te stellen en door het opzetten van rampenoefeningen. Hierdoor kan er direct gereageerd worden bij rampen. Ook wordt er een Nationaal Klimaatschadefonds opgezet voor slachtoffers.

Veerkrachtiger: de kansen verkleinen

Ook kan het kabinet kiezen om preventief en in samenhang de kans te beperken op slachtoffers en schade. De gevolgen van droogte, hitte en wateroverlast worden waar mogelijk samen aangepakt: hittestress wordt bijvoorbeeld verminderd door grootschalige vergroening van steden, waardoor zware buien beter in de bodem kunnen zakken. Ook op andere manieren komt er meer ruimte voor waterberging. Bodem, water en klimaat zijn bepalend voor ruimtelijke beslissingen. Woningbouw kan bijvoorbeeld niet overal meer. Deze keuze heeft grote ruimtelijke gevolgen en vraagt om maatschappelijke veranderingen en grote investeringen.

Waar moeten nieuwe woningen komen?

Nederland komt nu ongeveer 400.000 woningen tekort. Mensen worden ouder, ze wonen vaker alleen en meer mensen vestigen zich in Nederland. Daardoor is er meer woonruimte nodig. Veel mensen hebben dan ook moeite om een woning te vinden. De oplossing ligt onder andere in het beter gebruiken van bestaande woningen, bijvoorbeeld door grote woningen op te splitsen of complexen op te toppen, en in het bouwen van nieuwe woningen. Er zijn al veel woningbouwplannen voor de komende jaren, maar om het tekort op te lossen is meer nodig. Het Rijk bepaalt zelf meestal niet direct op welke locaties deze woningen komen, maar kan wel randvoorwaarden stellen aan de keuzes die gemeenten en provincies maken. Denk aan instructieregels zoals de Ladder voor Duurzame Verstedelijking of de nieuwe Nota Ruimte. De vraag is welke mogelijkheden het kabinet heeft om gemeenten bij hun locatiekeuzes voor woningbouw te sturen en te ondersteunen.

Woningtekort en groei aantal huishoudens in Nederland. Het woningtekort in 2025 is groter dan het aantal woningen in de stad Rotterdam. Uit scenariostudies blijkt dat het aantal huishoudens in de komende jaren alleen maar zal toenemen en de vraag naar woningen dus ook. Woningtekort en groei aantal huishoudens in Nederland. Het woningtekort in 2025 is groter dan het aantal woningen in de stad Rotterdam. Uit scenariostudies blijkt dat het aantal huishoudens in de komende jaren alleen maar zal toenemen en de vraag naar woningen dus ook.

Drie mogelijke richtingen

Binnenstedelijke verdichting

Het kabinet kan kiezen voor meer woonruimte binnen bestaande steden en dorpen. Dat kan door het makkelijker te maken om woonruimte te creëren bovenop en aan gebouwen, gebouwen te transformeren, of onderbenutte terreinen te bebouwen. Het kabinet kan daarbij buitenstedelijke woningbouw inperken door regelgeving in stand te houden, zoals de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Het woningtekort wordt dan grotendeels opgelost in de bebouwde omgeving, via verdichting. Bij binnenstedelijke verdichting wordt de bestaande infrastructuur benut, al kan het alsnog forse investeringen vereisen om de bereikbaarheid op peil te houden. Een andere uitdaging van verdichten is het behouden van voldoende groen binnen de bebouwde kom.

Straatjes erbij

Het kabinet kan er ook voor kiezen de bouw van woningen buiten de bebouwde kom te stimuleren aan de randen van steden en dorpen door regelgeving aan te passen. Bij deze keuze zijn meer investeringen nodig om nieuwe woningen aan te sluiten op bestaande en nieuwe vervoersinfrastructuur dan bij verdichting. De benodigde extra ruimte bij deze keuze is sterk afhankelijk van het type woningen dat gebouwd wordt, en van de mate waarin bestaande infrastructuur en voorzieningen kunnen worden gebruikt.

Grootschalige nieuwbouw

Ook kan het kabinet kiezen de ontwikkeling te stimuleren van grotere nieuwe woonwijken op bijvoorbeeld landbouwgrond of onderbenutte industrieterreinen. Dat doet het door overeenkomsten te sluiten met gemeenten, provincies, marktpartijen en corporaties, waarin ook afspraken worden gemaakt over de benodigde investeringen in publieke voorzieningen zoals onderwijs en vervoersinfrastructuur. Het verder versoepelen van regelgeving maakt grootschalige nieuwbouw ook makkelijker. Deze keuze kan veel ruimte vragen van landbouwgrond of natuur: naast voor huizen is er immers ook ruimte nodig voor infrastructuur en voorzieningen.

Hoe wordt wonen betaalbaarder en toegankelijker?

Extra woningen en woonruimten realiseren garandeert niet dat wonen voor iedereen betaalbaar en toegankelijk is. Met name jongvolwassenen en mensen met lage- en middeninkomens die snel een andere woning zoeken, hebben moeite een voor hen betaalbare woning te vinden. Zij hebben vaak niet genoeg wachttijd voor een sociale huurwoning en hebben te weinig geld voor een andere huur- of koopwoning. Hoe kan het kabinet ervoor zorgen dat woningen betaalbaar en toegankelijk zijn voor mensen met een laag- of middeninkomen?

Veel barrières bij het betreden van de woningmarkt. De uitgangspositie van woningzoekenden kan veel verschillen. We zien diverse mensen met verschillen in bijvoorbeeld leeftijd, gezondheid, huishoudenssamenstelling en mobiliteitsmogelijkheden. Ze concurreren allemaal met elkaar voor sociale huurwoningen, vrije sectorhuurwoningen en koopwoningen, maar allemaal zijn ze moeilijk toegankelijk, door lange wachttijden of hoge kosten. Veel barrières bij het betreden van de woningmarkt. De uitgangspositie van woningzoekenden kan veel verschillen. We zien diverse mensen met verschillen in bijvoorbeeld leeftijd, gezondheid, huishoudenssamenstelling en mobiliteitsmogelijkheden. Ze concurreren allemaal met elkaar voor sociale huurwoningen, vrije sectorhuurwoningen en koopwoningen, maar allemaal zijn ze moeilijk toegankelijk, door lange wachttijden of hoge kosten.

Drie mogelijke richtingen

Bouwen, én woningen passend toewijzen

Het kabinet kan ervoor kiezen marktpartijen en woningcorporaties te stimuleren meer betaalbare woningen te bouwen. Aanvullend kan bouw in hogere segmenten de doorstroming uit goedkopere woningen bevorderen. De bouw kan bijvoorbeeld worden gestimuleerd via subsidies en/of stabiel langetermijnbeleid dat marktpartijen en corporaties in staat stelt langjarige investeringsbeslissingen te nemen. Het kabinet kan daarnaast gemeenten stimuleren meer (bestaande) woningen inkomensafhankelijk toe te wijzen.

Betaalbare alternatieve woonruimte creëren

Het kabinet kan er ook voor kiezen om in te zetten op het onderbrengen van meer huishoudens in bestaande woningen en tijdelijke huisvesting zoals flexwoonprojecten. Dat doet het bijvoorbeeld door gemeenten te stimuleren soepeler om te gaan met mogelijkheden tot woningsplitsing in hun Huisvestingsverordening en/of door de ingezette Stimuleringsaanpak Flexwonen uit te breiden. Deze keuze kan leiden tot druk op de kwaliteit van de woningen en de woonomgeving.

Prijsopdrijving op de woningmarkt beperken

Ook kan het kabinet ervoor kiezen vraagstimulerende maatregelen af te bouwen om zo de prijsstijging van koop- en huurwoningen te dempen. Dat doet het bijvoorbeeld door de hypotheekrenteaftrek af te bouwen en/of het verstrekken van (gemeentelijke varianten van) startersleningen tegen te gaan. Het afbouwen van dergelijke regelingen heeft positieve financiële gevolgen voor toekomstige huurders en kopers en negatieve financiële gevolgen voor huidige woningeigenaren.

Hoe stimuleert de overheid woningverduurzaming?

In 2024 was 22 procent van het totale aardgasverbruik in Nederland toe te rekenen aan woningen. Naast broeikasgasemissies terugdringen zijn er andere redenen om de warmtevoorziening in woningen te verduurzamen, zoals comfort. Door verduurzaming worden huishoudens ook minder gevoelig voor prijsschokken. Aardgasgebruik zal in de toekomst naar verwachting duurder worden, onder meer vanwege de invoering van een nieuw Europees emissiehandelssysteem (ETS2). Voor sommige huishoudens heeft dit veel impact: in 2024 waren er naar schatting ruim 500.000 huishoudens met energiearmoede. Daarnaast lopen nog circa 1 miljoen andere huishoudens risico bij hoge energieprijzen. Welke rol neemt de overheid in de verduurzaming van woningen? Hoe worden de kosten en baten verdeeld, en hoe sterk wil de overheid ingrijpen?

In 2023 waren ruim 88% van de huishoudens afhankelijk van aardgas, en slechts 10% van de huishoudens aardgasvrij. Een grote pijl wijst naar 2050. Het klimaatdoel voor 2050 is om klimaatneutraal te zijn, wat betekend dat alle huishoudens een klimaat neutrale energievoorziening moeten hebben (geen aardgas meer). Bij de pijl staan diverse huishoudens weergegeven als poppetjes met vragen als ‘Kan ik de investering in verduurzaming betalen?’ en ‘Hoe word ik meegenomen in deze transitie?’ In 2023 waren ruim 88% van de huishoudens afhankelijk van aardgas, en slechts 10% van de huishoudens aardgasvrij. Een grote pijl wijst naar 2050. Het klimaatdoel voor 2050 is om klimaatneutraal te zijn, wat betekend dat alle huishoudens een klimaat neutrale energievoorziening moeten hebben (geen aardgas meer). Bij de pijl staan diverse huishoudens weergegeven als poppetjes met vragen als ‘Kan ik de investering in verduurzaming betalen?’ en ‘Hoe word ik meegenomen in deze transitie?’

Drie mogelijke richtingen

Initiatief bij huishoudens zelf

Het kabinet kan ervoor kiezen om het initiatief voor verduurzaming vooral bij de huishoudens zelf te leggen. Overheden faciliteren de burgers met informatie over verduurzaming en met algemene subsidies, maar burgers bepalen zelf of en wanneer ze maatregelen toepassen. Daarbij is het wel afhankelijk van de (financiële) mogelijkheden van huishoudens of zij gebruik kunnen maken van subsidies en kunnen reageren op eventuele prijsstijgingen. Het klimaatdoel voor 2050 wordt naar verwachting niet gehaald.

Meer aandacht voor kwetsbare huishoudens

Het kabinet kan er ook voor kiezen om extra aandacht te geven aan kwetsbare huishoudens in de warmtetransitie. Voor huishoudens met lage inkomens, woningen in slechte staat of hoge energiekosten kunnen problemen ontstaan met het betalen van de energierekening. Het kabinet kan de positie van kwetsbare huishoudens versterken door voort te bouwen op de Nationale Prestatieafspraken met woningcorporaties en door geen generieke energieprijsstijgingen door te voeren.

Strenger beleid voor een snellere transitie

Ook kan het kabinet kiezen om de verduurzaming sterker aan te jagen. Dit kan door strenge regels te stellen aan de energieprestatie van woningen, energiegebruik sterker te beprijzen en subsidies te geven. Burgers krijgen meer duidelijkheid over de energieprijzen die ze gaan betalen en worden gestimuleerd tot duurzaam gedrag. Het beleid is dwingender doordat er scherp gehandhaafd wordt op de regels. Een voorbeeld hiervan is om de verplichting in te voeren om een (hybride) warmtepomp te nemen bij vervanging van een cv-ketel. Met strenger beleid kan de kans sterk worden vergroot om in 2050 klimaatneutraal te zijn.

Hoe verder met autobelastingen?

Voor veel mensen is de auto belangrijk; ze rijden er bijvoorbeeld mee naar hun werk, de supermarkt en familie. Diezelfde auto’s zijn een bron van CO2-uitstoot, luchtvervuiling en verkeersslachtoffers. Er viel in 2024 gemiddeld elke dag een verkeersdode in ongevallen waar een personenauto bij betrokken was. In 2040 is naar verwachting 40 tot 76 procent van de personenauto’s in Nederland batterij-elektrisch. De toename van elektrische auto’s heeft gevolgen voor belastinginkomsten van de overheid en voor het weggebruik. Met het huidige belastingsysteem zullen de belastinginkomsten dalen, omdat batterij-elektrische auto’s gemiddeld lager belast worden. En op de weg wordt het waarschijnlijk drukker. Elektrische auto’s zijn namelijk goedkoper in gebruik. Het nieuwe kabinet kan ervoor kiezen de autobelastingen aan te passen, om zo de overheidsinkomsten te garanderen en het weggebruik te beïnvloeden.

Het aandeel elektrisch auto’s groeit van 6% in 2023 naar 40% a 76% in 2040. Elektrische auto’s betalen 1 cent belasting per kilometer, benzineauto’s 5 cent. Als de autobelastingen hetzelfde blijven betekent dat in 2040 2 a 5,5 miljard lagere belastinginkomsten en 20 a 49% meer files vergeleken met een gelijkblijvende belastingdruk. Het aandeel elektrisch auto’s groeit van 6% in 2023 naar 40% a 76% in 2040. Elektrische auto’s betalen 1 cent belasting per kilometer, benzineauto’s 5 cent. Als de autobelastingen hetzelfde blijven betekent dat in 2040 2 a 5,5 miljard lagere belastinginkomsten en 20 a 49% meer files vergeleken met een gelijkblijvende belastingdruk.

Drie mogelijke richtingen

Op korte termijn minder belasting op autobezit en meer op autogebruik

Het kabinet kan ervoor kiezen de autobelasting op autobezit te verlagen en op autogebruik te verhogen. Dit belasten naar gebruik betekent dat wie weinig rijdt minder gaat betalen, en wie veel rijdt juist meer. Een snelle invoering voor alle personenauto’s draagt bij aan reductie van de CO2-uitstoot, stikstofuitstoot, verkeersonveiligheid en files.

Gemiddelde belastingdruk op autobezit en ‑gebruik gelijk houden

Het kabinet kan ook kiezen voor een herziening waarbij de kosten voor autobezit en -gebruik ook op lange termijn ongeveer op het huidige niveau blijven. Dat kan door geleidelijk het belasten naar gebruik in te voeren voor elektrische auto’s, en de aanschafbelasting en motorrijtuigenbelasting aan te passen. Zo blijven belastingopbrengsten intact en wordt voorkomen dat de files sterk toenemen, maar de CO2- en stikstofuitstoot zullen niet sneller afnemen.

Niets veranderen aan autobelastingen

Ook kan het kabinet ervoor kiezen om vast te houden aan het huidige belastingstelsel, ook op lange termijn. Het autogebruik wordt dan goedkoper, maar het betekent ook dat files zullen toenemen en belastinginkomsten fors terug zullen lopen.

Hoe kunnen we efficiënter omgaan met grondstoffen?

Efficiënter omgaan met grondstoffen is cruciaal voor een betere leefomgeving. Ook zorgt het ervoor dat Nederland minder afhankelijk wordt van andere landen. Het grondstoffengebruik in Nederland neemt echter nauwelijks af en de leveringsrisico’s van de meeste kritieke grondstoffen zijn in de afgelopen tien jaar toegenomen. Hierdoor is Nederland nu sterk afhankelijk van andere landen. Om een circulaire economie te bevorderen, is beleid nodig dat naast recycling ook gericht is op minder inzet van nieuwe grondstoffen, een langere levensduur van producten en vervanging van vervuilende grondstoffen. Welke prioriteit stelt het volgende kabinet om de transitie naar een circulaire economie te versnellen?

In dit schema wordt duidelijk dat een circulaire economie niet los is te zien van andere maatschappelijke opgaven en beleidsthema’s, zoals klimaatverandering en energie- en klimaatbeleid, biodiversiteitsverlies en natuurbeleid, milieuvervuiling en lucht-, water- en bodembeleid, leveringsrisico’s en handelsbeleid. Een circulaire economie kan op al deze opgaven een positief effect hebben door minder grondstoffen te gebruiken, de levensduur van producten te verlengen, hoogwaardig te recyclen en minder schadelijke grondstoffen te gebruiken, zoals biogrondstoffen. In dit schema wordt duidelijk dat een circulaire economie niet los is te zien van andere maatschappelijke opgaven en beleidsthema’s, zoals klimaatverandering en energie- en klimaatbeleid, biodiversiteitsverlies en natuurbeleid, milieuvervuiling en lucht-, water- en bodembeleid, leveringsrisico’s en handelsbeleid. Een circulaire economie kan op al deze opgaven een positief effect hebben door minder grondstoffen te gebruiken, de levensduur van producten te verlengen, hoogwaardig te recyclen en minder schadelijke grondstoffen te gebruiken, zoals biogrondstoffen.

Drie mogelijke richtingen

Nationaal circulariteit bevorderen met zachte hand

Het kabinet kan kiezen om uit te gaan van vrijwilligheid. Het probeert bedrijven en consumenten te verleiden om over te stappen naar circulaire producten en diensten. Daarbij zet het vooral vrijwillige beleidsinstrumenten en subsidies in om markten voor circulaire producten aan te jagen. Deze keuze betekent dat Nederland zelf kan beslissen en gebruik kan maken van de energie in de samenleving. Dit lijkt het meest op het huidige beleid, waarvan de gewenste resultaten vooralsnog achterblijven. Om de transitie naar de circulaire economie te versnellen, zou aanzienlijk meer geld nodig zijn.

Tempo van de transitie in EU-verband bepalen

Het kabinet kan ook kiezen om een gelijk speelveld voor bedrijven voorop te stellen. Om dit te realiseren – en de kans te beperken dat bedrijven naar het buitenland vertrekken – is het essentieel dat beleid op EU-niveau wordt gemaakt. De EU kan afspraken maken met landen buiten de EU over productontwerp, herbruikbaarheid en recycleer baarheid. Ook is het op Europees niveau beter mogelijk om minder afhankelijk te worden van andere landen voor kritieke grondstoffen. Met deze keuze is Nederland relatief afhankelijk van de belangen van andere EU-lidstaten voor de snelheid en haalbaarheid van de transitie naar een circulaire economie.

Nationaal vol inzetten op circulariteit

Ook kan het kabinet kiezen om de transitie naar een circulaire economie zoveel mogelijk te versnellen met nationaal, meer dwingend beleid. Bijvoorbeeld door strengere eisen te stellen zoals aan de uitgebreide producentenverant-woordelijkheid (UPV) en circulaire inkoop door overheden. Met deze keuze kan Nederland relatief veel zelf beslissen. Het kabinet kan ervoor zorgen dat bedrijven grondstoffen efficiënter gebruiken en dat leveringsrisico’s afnemen. Bedrijven die vooroplopen krijgen een competitief voordeel. Voor andere bedrijven neemt de internationale concurrentiepositie juist af. De keuzevrijheid van bedrijven en consumenten kan afnemen.

Hoe verder met de verduurzaming van de industrie?

Nederland heeft een relatief grote en energie-intensieve industrie en een daarmee samenhangende uitstoot van broeikasgassen. Denk aan bedrijven in de chemie- en staalsector en brandstoffenproductie. Deze sectoren moeten de komende jaren omschakelen naar een klimaatneutrale productie; in Europa en Nederland is klimaatneutraliteit in 2050 wettelijk vastgelegd. Plannen om de Nederlandse industrie te verduurzamen zijn er genoeg, maar investeringen daarin blijven achter. Emissiereductie gaat minder snel dan beoogd en de industrie blijft vooralsnog sterk afhankelijk van geïmporteerde fossiele energiedragers. Het voortbestaan van de bestaande industrie, maar ook de opbouw van nieuwe industrie, staan sowieso al onder druk. Dat komt door de relatief hoge energieprijzen in Europa, goedkope import vanuit China en gebrek aan vraag naar duurzaam geproduceerde materialen. Dit kan forse gevolgen hebben voor bijvoorbeeld de werkgelegenheid, de importafhankelijkheid en het verdienvermogen in Nederland. Welke keuzes heeft het kabinet om de industrie te ondersteunen en te verduurzamen?

Het figuur toont met vier staven de broeikasgasemissies in megaton CO<sub>2</sub>-equivalent voor de jaren 2020, 2024, 2030, en 2040. Tussen 2020 en 2024 is de uitstoot omlaag gegaan van circa 54 naar circa 47 megaton. Een tussenliggend balkje bestaande uit twee vlakken laat zien dat deze reductie grotendeels door het verdwijnen van productie komt, en slechts beperkt door het verduurzamen van productie. De verwachte emissiereductie tussen 2023 en 2030 is nog onzeker, en het kabinet kan invloed uitoefenen op de verdeling tussen emissiereductie vanwege productieafname en verduurzaming. Tussen 2030 en 2040 geld hetzelfde, alleen de resterende emissies in 2040 zijn zeer onzeker. Onder de grafiek wordt weergegeven dat de CO<sub>2</sub>-prijs naar verwachting richting 2040 fors zal oplopen. Het figuur toont met vier staven de broeikasgasemissies in megaton CO<sub>2</sub>-equivalent voor de jaren 2020, 2024, 2030, en 2040. Tussen 2020 en 2024 is de uitstoot omlaag gegaan van circa 54 naar circa 47 megaton. Een tussenliggend balkje bestaande uit twee vlakken laat zien dat deze reductie grotendeels door het verdwijnen van productie komt, en slechts beperkt door het verduurzamen van productie. De verwachte emissiereductie tussen 2023 en 2030 is nog onzeker, en het kabinet kan invloed uitoefenen op de verdeling tussen emissiereductie vanwege productieafname en verduurzaming. Tussen 2030 en 2040 geld hetzelfde, alleen de resterende emissies in 2040 zijn zeer onzeker. Onder de grafiek wordt weergegeven dat de CO<sub>2</sub>-prijs naar verwachting richting 2040 fors zal oplopen.

Drie mogelijke richtingen

Zo veel mogelijk bestaande industrie verduurzamen

Het kabinet kan als uitgangspunt nemen dat de bestaande industrie en werkgelegenheid behouden moeten blijven. De verduurzaming van de industrie wordt gestimuleerd met generieke subsidies en faciliterend beleid dat sterk leunt op het bestaande Europese beleid. Daarnaast wordt ingezet op het zoveel mogelijk beperken van concurrentienadelen, bijvoorbeeld door kostenverschillen met concurrerende bedrijven elders (gedeeltelijk) te compenseren. Deze keuze vereist een grote inzet van publiek geld. Of de industriële bedrijven daadwerkelijk in Nederland blijven, is onzeker.

Nationale broeikasgasuitstoot snel reduceren

Het kabinet kan er ook voor kiezen om prioriteit te geven aan een snelle reductie van nationale broeikasgasemissies. Aanvullend op Europees beleid zet het kabinet in op het nationaal normeren en beprijzen van klimaatschade. Kortingen op energiebelastingen voor grootverbruikers worden beperkt en het gebruik van fossiele energiedragers wordt via normering teruggedrongen. De kans is groot dat de Nederlandse industrie-uitstoot snel en sterk afneemt. Het risico is echter ook groot dat bedrijven uit Nederland vertrekken, waarbij de uitstoot elders toeneemt.

De industrie selectief verduurzamen

Het kabinet kan ook kiezen voor een selectief industriebeleid. Hierbij ontwikkelt het kabinet een visie op welke bestaande en nieuwe industrie voor Nederland en Europa belangrijk is. Bijvoorbeeld uit oogpunt van strategische autonomie of internationale rechtvaardigheid, of aansluitend op comparatieve voordelen. Alleen deze bedrijven, sectoren of clusters krijgen steun van de overheid om te verduurzamen, met een daarbij passende mix van beleidsinstrumenten. Daarnaast wordt gericht beleid gevoerd om nieuwe en innovatieve duurzame bedrijvigheid in Nederland te ontwikkelen. Omgekeerd wordt geen specifieke steun gegeven aan bedrijven die niet passen in de visie van het kabinet op de toekomstige Nederlandse economie.

Hoe verder met de landbouw in Nederland?

De Nederlandse landbouw is een intensieve, innovatieve en hoogproductieve sector, die een grote bijdrage levert aan de Nederlandse export. Dat die intensieve productie een keerzijde heeft, is algemeen bekend: de stikstof- en broeikasgasuitstoot leiden tot negatieve effecten op de leefomgeving in Nederland en elders, zoals biodiversiteitsverlies, watervervuiling en gezondheidsschade. De uitstoot van de landbouwsector daalde aanzienlijk, maar nam het afgelopen decennium niet meer af. Een verdere structurele daling van de stikstofdepositie is noodzakelijk om allerlei bouwprojecten vlot te trekken; zonder stikstofafname blijft het lastig om voor die projecten een natuurvergunning te krijgen. Hoe kan de uitstoot omlaag en welke keuzes kan het kabinet maken voor de toekomst van de Nederlandse landbouw?

Milieu en economie van de Nederlandse landbouw. De toegevoegde waarde van de landbouw is tussen 1990 en 2025 structureel toegenomen. Tegelijkertijd zijn de emissies van ammoniak, een belangrijke stikstofverbinding, en broeikasgassen afgenomen. Het grootste deel van deze afname is voor 2010 gerealiseerd. Sindsdien stagneert de afname. Milieu en economie van de Nederlandse landbouw. De toegevoegde waarde van de landbouw is tussen 1990 en 2025 structureel toegenomen. Tegelijkertijd zijn de emissies van ammoniak, een belangrijke stikstofverbinding, en broeikasgassen afgenomen. Het grootste deel van deze afname is voor 2010 gerealiseerd. Sindsdien stagneert de afname.

Drie mogelijke richtingen

Emissiereductie door betere techniek

Het kabinet kan ervoor kiezen om landbouwemissies te verminderen door in te zetten op technologische innovatie en door de bedrijfsvoering op landbouwbedrijven te optimaliseren. Hiertoe kan het de ontwikkeling en toepassing van technologie verder stimuleren. Bij deze keuze streeft het kabinet ernaar de omvang van de veestapel en het landbouwoppervlak zoveel mogelijk te behouden. Ondernemers krijgen in nieuwe regelgeving de vrijheid om zoveel mogelijk zélf te bepalen hoe ze hun uitstoot verlagen. Het is, zeker op korte termijn, niet plausibel dat alle doelen voor de landbouw gehaald worden met alleen technische maatregelen.

Extensiveren in bufferzones

Het kabinet kan er ook voor kiezen om beleid af te stemmen op de locatie van landbouwbedrijven. Landbouwgronden rond kwetsbare gebieden worden bufferzones, waar minder dieren mogen worden gehouden en geen intensief bespoten gewassen mogen worden geteeld. Deze extensivering geldt dan bijvoorbeeld voor bedrijven nabij natuurgebieden of woningen. In de rest van Nederland blijft de landbouw intensief en gericht op een hoge productie. In verschillende gebieden is er dus een verschillend ontwikkelperspectief voor landbouwbedrijven. De eisen én subsidiemogelijkheden voor boeren gaan per gebied verschillen.

Extensievere landbouwsector

Een andere keuze is om de landbouw overal te extensiveren. De productie per hectare neemt dan af. De veehouderij wordt grondgebonden: door samenwerking van akkerbouwers en veetelers wordt mest zoveel mogelijk in de regio afgezet en ook de import van veevoer wordt verminderd. Het kabinet legt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest aan banden. Het kabinet kiest er dan ook voor om de veestapel te verkleinen en ervoor te zorgen dat akkerbouwers vooral voedsel voor menselijke consumptie produceren, en niet voor vee.

Hoe herstelt Nederland zijn natuur?

De natuur in Nederland staat onder druk. Sommige plant- en diersoorten zijn uit Nederland verdwenen. Het overgrote deel van de Nederlanders vindt natuurbescherming belangrijk. Er is wel verdeeldheid onder Nederlanders of natuur de economie mag belemmeren. Nederland heeft in Europa afgesproken om de natuur te herstellen en in goede staat te brengen. Daarvoor ligt het land nu niet op koers. Om de natuur in een goede staat te brengen is het niet alleen nodig om bestaande natuurgebieden te herstellen, maar ook om de leefgebieden buiten natuurgebieden uit te breiden. Bovendien moeten de emissies van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen omlaag (zie Hoe verder met de landbouw in Nederland?) Welke keuzes kan het kabinet maken om de natuur in goede staat te brengen?

Benodigde maatregelen om de Nederlandse natuur in een goede staat te brengen. In 2024 waren voor de helft van de Europees beschermde soorten de condities op orde. Om alle Europees beschermde natuur in een goede staat te brengen, moeten verschillende maatregelen worden genomen. Allereerst moeten de emissies van ammoniak en gewasbeschermingsmiddelen omlaag. Daarnaast moet het areaal natuur worden uitgebreid en moeten bestaande natuurgebieden worden hersteld. In het agrarisch gebied is agrarisch natuurbeheer belangrijk. Benodigde maatregelen om de Nederlandse natuur in een goede staat te brengen. In 2024 waren voor de helft van de Europees beschermde soorten de condities op orde. Om alle Europees beschermde natuur in een goede staat te brengen, moeten verschillende maatregelen worden genomen. Allereerst moeten de emissies van ammoniak en gewasbeschermingsmiddelen omlaag. Daarnaast moet het areaal natuur worden uitgebreid en moeten bestaande natuurgebieden worden hersteld. In het agrarisch gebied is agrarisch natuurbeheer belangrijk.

Drie mogelijke richtingen

Herstel mag niet ten koste gaan van landbouwgrond

Het kabinet kan ervoor kiezen om alleen herstelmaatregelen te treffen in bestaande natuurgebieden. Er komt dan geen natuur bij. Het kabinet zet hierbij in op het behoud van landbouwgrond voor voedselproductie. In de natuurgebieden intensiveert het beheer. Natuurgebieden worden optimaal ingericht, door bos te kappen waar open landschap nodig is om biodiversiteitsdoelen dichterbij te brengen of door het verbeteren van de waterhuishouding. De natuur blijft sterk onder druk staan en biodiversiteitsdoelen blijven buiten bereik.

Uitbreiden van natuurgebieden

Het kabinet kan er ook voor kiezen om bestaande natuurgebieden verder te vergroten en met elkaar te verbinden om zo het leefgebied van dieren en planten te vergroten. Dit kan ook door nieuwe grote natuurgebieden te creëren, zoals de Markerwadden, of door beschermde gebieden voor weidevogels in te richten. De toename van het oppervlak aan beschermde natuurgebieden zal vooral ten koste gaan van landbouw grond.

Inzet op agrarisch natuurbeheer

Ook kan het kabinet ervoor kiezen om het agrarisch natuur beheer uit te breiden en te intensiveren. Het leefgebied van boerenlandvogels wordt dan groter en het boerenlandschap wordt aantrekkelijker. Het oppervlak landbouwgrond waarvoor boeren een beheervergoeding ontvangen neemt toe, net zoals het oppervlak aan bomen, heggen en natuurvriendelijke oevers. Intensief agrarisch natuurbeheer vraagt van boeren vaak een aanpassing van de bedrijfsvoering.

Hoe stelt Nederland zich internationaal op?

Nederland is onlosmakelijk verbonden met de rest van de wereld. Daarom is Nederland ook afhankelijk van het succes van mondiale inspanningen voor leefomgevingsopgaven. Ondertussen worden de gevolgen van milieuproblemen steeds meer zichtbaar, terwijl internationale klimaat- en natuurdoelen buiten bereik blijven. De kwetsbaarheid voor milieuproblemen neemt binnen en buiten Nederland op ongelijke wijze toe. Voor grensoverschrijdende uitdagingen is samenwerking nodig. Dit wordt bemoeilijkt door geopolitieke spanningen en protectionisme. De vraag voor een nieuw kabinet is dan ook: op welke manier zet Nederland zich in voor internationale afspraken over de leefomgeving?

Deze figuur toont met pijlen de verschillende soorten relaties tussen Nederland, Europa en de rest van de wereld. Er worden zeven soorten relaties uitgebeeld: financiële relaties (zoals investeringen en verzekeringen); infrastructuur (energie, ICT, transport); natuur en milieu (water, luchtvervuiling (invasieve) soorten); beleid (multilateraal- en EU-beleid); mensen (gezondheid, toerisme en werk); geopolitiek (conflicten, hulp en migratie); en handel (kennis en diensten, producten en grondstoffen). Deze figuur toont met pijlen de verschillende soorten relaties tussen Nederland, Europa en de rest van de wereld. Er worden zeven soorten relaties uitgebeeld: financiële relaties (zoals investeringen en verzekeringen); infrastructuur (energie, ICT, transport); natuur en milieu (water, luchtvervuiling (invasieve) soorten); beleid (multilateraal- en EU-beleid); mensen (gezondheid, toerisme en werk); geopolitiek (conflicten, hulp en migratie); en handel (kennis en diensten, producten en grondstoffen).

Drie mogelijke richtingen

Nederland als internationaal koploper

Het kabinet kan ervoor kiezen zich proactief in te spannen voor krachtige internationale leefomgevingsafspraken. Het voegt de daad bij het woord, in eigen land en internationaal. Dit betekent bijvoorbeeld dat Nederland de negatieve effecten van zijn productie en consumptie adresseert, zowel hier als elders. Nederland prefereert eensgezindheid vanuit de EU, maar schuwt bij uitblijven daarvan niet om op te trekken in andere coalities van gelijkgestemde landen.

Nederland leunt op Europa

Het kabinet kan er ook voor kiezen om te vertrouwen op de kracht van het EU-lidmaatschap. Onder het motto ‘samen staan we sterk’ prioriteert Nederland dan Europese eensgezindheid op het internationale toneel. Het kabinet bewaakt de Nederlandse belangen in de EU. Wel betekent prioriteit geven aan eensgezindheid dat het kabinet er rekening mee moet houden dat de invloed van Nederland beperkt kan zijn ten opzichte van de Europese Commissie en de grotere EU-lidstaten.

Nederland gaat eigen weg

Een kabinet zou er ook voor kunnen kiezen om de vraag ‘wat levert het Nederland nú op?’ voorop te stellen in hoe het zich internationaal opstelt rond leefomgevingsopgaven. Het prioriteert dan andere belangen van Nederland boven die van de leefomgeving. Nederland is daarbij bereid de ondergrens op te zoeken van bestaande afspraken en houdt zich afzijdig bij pogingen om internationale afspraken te versterken. Bij deze keuze moet het kabinet rekening houden met een toename van milieurechtszaken en verlies van vertrouwen van burgers in de overheid.

Wie legt de ruimtelijke puzzel?

Voor veel opgaven waar Nederland voor staat is ruimte nodig: nieuwe woningen, bedrijvigheid, de energietransitie, landbouw, natuurherstel en klimaatadaptatie. Tegelijkertijd zijn keuzes nodig om het landschap te beschermen. De draagkracht van de bodem, het water en de biodiversiteit staat onder grote druk. Het is daarom nodig om samenhangende ruimtelijke keuzes te maken; de ruimte in Nederland is nu eenmaal beperkt. In het huidige ruimtelijke beleid gebeurt dat nog weinig. Welke rol neemt het Rijk in de ruimtelijke ordening?

Verschillende belanghebbenden zitten rondom een tafel waarop een puzzel ligt. De puzzel verbeeldt de keuzes voor ruimtelijke inrichting, samenhang en bijbehorende afwegingen over thema’s zoals wonen, duurzame energie, natuur, infrastructuur, water, werken en recreatie. De belanghebbenden zijn rijksoverheid, provincie, gemeente, waterschap, ontwikkelaar en burger. Verschillende belanghebbenden zitten rondom een tafel waarop een puzzel ligt. De puzzel verbeeldt de keuzes voor ruimtelijke inrichting, samenhang en bijbehorende afwegingen over thema’s zoals wonen, duurzame energie, natuur, infrastructuur, water, werken en recreatie. De belanghebbenden zijn rijksoverheid, provincie, gemeente, waterschap, ontwikkelaar en burger.

Drie mogelijke richtingen

Sectorale belangen bepalen de puzzel

Het kabinet kan ervoor kiezen om ruimteclaims van sectoren, zoals die voor woningbouw of bedrijventerreinen, voorrang te geven. Dit is dan zonder deze af te wegen tegen andere belangen. De overheden voeren in dat geval pas regie als een ‘crisis’ ontstaat. Hoe de ruimte in Nederland wordt ingedeeld, is vooral een optelsom van initiatieven van bedrijven en burgers. Publieke waarden en belangen van toekomstige generaties krijgen weinig prioriteit. Bij deze keuze is ruimtelijke ordening het resultaat van de afweging van korte termijn-belangen. Klassieke waarden als wonen en economie wegen daarbij doorgaans zwaarder dan de kwaliteit van de leefomgeving.

Het Rijk legt de puzzel

Het kabinet kan er ook voor kiezen ruimtelijke keuzes op Rijksniveau te maken: welke ruimteclaims kunnen worden gehonoreerd en waar, en welke niet? Het Rijk beschouwt hiervoor alle ruimtelijke opgaven in samenhang. Hiertoe stelt het prioriteiten in de Nota Ruimte. Dit gebeurt op basis van een langetermijnvisie op de ruimtelijke opgaven en de kwaliteit van de leefomgeving. Met actiever grondbeleid kan het kabinet de slagvaardigheid van het Rijk versterken.

De regio legt de puzzel, binnen nationale kaders

Het kabinet kan ervoor kiezen om afwegingen over ruimte zoveel mogelijk over te laten aan provincies en gemeenten, binnen de kaders die het Rijk daarvoor stelt. Het Rijk biedt dan uitvoeringsbudget aan decentrale overheden zonder specifieke randvoorwaarden. De decentrale overheden stellen zelf doelen en prioriteiten voor samenhangende ruimtelijke ontwikkeling vanuit de regionale context. De ruimtelijke samenhang komt tot stand op regionaal niveau (planning) en in projecten (ontwerp). Decentrale overheden kunnen maatwerk leveren in gebiedsgerichte uitvoeringsprojecten. Bedrijven en burgers worden betrokken bij het maken van plannen in hun omgeving.

Hoe passen alle keuzes in ons kleine land?

Voor veel van de opgaven uit deze publicatie is een plek nodig in het land. Vaak gaat dat ten koste van iets dat er al is. Functies kunnen soms gecombineerd worden, maar er blijven grenzen aan wat hiermee kan worden bereikt. Keuzes zijn daarom onvermijdelijk over de ruimte die per opgave beschikbaar is. De puzzel is meer dan alleen ‘hectares ruilen’: ruimtelijke keuzes moeten samenhangen. Zo wonen mensen het liefst dicht bij werk of school en zijn bedrijventerreinen afhankelijk van infrastructuur. Ook bodem en water hebben invloed op wat waar goed past. Tot slot is de kwaliteit van het landschap belangrijk. Verschillende landschappen hebben elk een eigen waarde, van open landbouwgebied tot historische steden en natuurgebieden. Een landschap dat verloren gaat, komt niet zomaar terug. Kortom, keuzes van het kabinet zijn in de regel óók keuzes over de ruimte. Het kabinet moet daarom nadenken over hoe en waar hun keuzes in het land passen.

Infografiek over Hoe passen alle keuzes in ons kleine landje? Centraal in het figuur staat een schematische weergave van het huidige ruimtegebruik in Nederland verdeeld in 1000 blokjes. De verdeling is van groot naar klein:    Landbouw 504 blokjes; Water (excl. Noordzee) 189 blokjes; Natuur 161 blokjes; Overig stedelijk (o.a. straten en parken) 43 blokjes; Overig (o.a. wegen, bermen en vliegvelden) 39 blokjes; Wonen 38 blokjes; Werken 24 blokjes; Hernieuwbare energie 2 blokjes.   Daaromheen worden de verschillende toekomstige ruimteclaims toegelicht van opgaven rondom wonen, hernieuwbare energie, landbouw, natuur en klimaatverandering. Voor elke opgave is een indicatie gegeven voor de benodigde minimum en maximum ruimtevraag in 2050. Bron: ruimtelijke verkenningen 2023.    Voor meer woningen is ruimte nodig. Grootschalige woningbouwlocaties buiten het bestaand bebouwd gebied vragen het meeste ruimte: niet alleen voor de woningen, maar ook voor de infrastructuur en voorzieningen. Bouwen binnen bestaande bebouwing vraagt ook ruimte, maar heeft minder impact op het buitengebied. Indicatie extra ruimte wonen 2050: 6 tot 15 blokjes extra (bovenop de 38 huidig)   Hernieuwbare energie op land beslaat een klein deel van het oppervlak van Nederland, maar heeft een grote visuele impact. In de toekomst zal meer ruimte voor energie nodig zijn, afhankelijk van hoe de energietransitie vorm krijgt.   Indicatie extra ruimte energie 2050: 5 tot 26 blokjes extra (bovenop de 1 huidig)    Landbouw is de grootste ruimtegebruiker in Nederland en een belangrijke drager van het landschap. Nieuwe ontwikkelingen gaan vaak ten koste van landbouwgrond. De meeste landbouwgrond wordt gebruikt voor veevoer. Extensieve landbouw combineert makkelijker met bijvoorbeeld natuur en waterberging.    Indicatie ingeleverde ruimte landbouw 2050: 19 tot 128 blokjes minder (van de 504 huidig)   Klimaatverandering wordt steeds zichtbaarder en richt steeds meer schade aan, Nederland is hier niet op ingericht. De wijze van klimaatadaptatie beïnvloedt welke ruimtelijke keuzes gemaakt kunnen worden.   Er is ook natuur in het agrarisch gebied en de stad. Natuur heeft vaak ook een recreatieve functie. Het halen van de natuurdoelen vraagt om extra natuurgebied en extensievere landbouw in overgangsgebieden rondom stikstofgevoelige natuur.   Defensieterreinen liggen vaak in een natuurgebied. Defensie vraagt ruimte voor uitbreiding.   Indicatie extra ruimte natuur 2050: 1 tot 98 blokjes extra (bovenop de 161 huidig)   Overheden kunnen onder meer sturen door: Gebieden beschermen; Ontwikkellocaties aanwijzen; Normen stellen (bijv. geluidsnormen); Grondbeleid. Infografiek over Hoe passen alle keuzes in ons kleine landje? Centraal in het figuur staat een schematische weergave van het huidige ruimtegebruik in Nederland verdeeld in 1000 blokjes. De verdeling is van groot naar klein:    Landbouw 504 blokjes; Water (excl. Noordzee) 189 blokjes; Natuur 161 blokjes; Overig stedelijk (o.a. straten en parken) 43 blokjes; Overig (o.a. wegen, bermen en vliegvelden) 39 blokjes; Wonen 38 blokjes; Werken 24 blokjes; Hernieuwbare energie 2 blokjes.   Daaromheen worden de verschillende toekomstige ruimteclaims toegelicht van opgaven rondom wonen, hernieuwbare energie, landbouw, natuur en klimaatverandering. Voor elke opgave is een indicatie gegeven voor de benodigde minimum en maximum ruimtevraag in 2050. Bron: ruimtelijke verkenningen 2023.    Voor meer woningen is ruimte nodig. Grootschalige woningbouwlocaties buiten het bestaand bebouwd gebied vragen het meeste ruimte: niet alleen voor de woningen, maar ook voor de infrastructuur en voorzieningen. Bouwen binnen bestaande bebouwing vraagt ook ruimte, maar heeft minder impact op het buitengebied. Indicatie extra ruimte wonen 2050: 6 tot 15 blokjes extra (bovenop de 38 huidig)   Hernieuwbare energie op land beslaat een klein deel van het oppervlak van Nederland, maar heeft een grote visuele impact. In de toekomst zal meer ruimte voor energie nodig zijn, afhankelijk van hoe de energietransitie vorm krijgt.   Indicatie extra ruimte energie 2050: 5 tot 26 blokjes extra (bovenop de 1 huidig)    Landbouw is de grootste ruimtegebruiker in Nederland en een belangrijke drager van het landschap. Nieuwe ontwikkelingen gaan vaak ten koste van landbouwgrond. De meeste landbouwgrond wordt gebruikt voor veevoer. Extensieve landbouw combineert makkelijker met bijvoorbeeld natuur en waterberging.    Indicatie ingeleverde ruimte landbouw 2050: 19 tot 128 blokjes minder (van de 504 huidig)   Klimaatverandering wordt steeds zichtbaarder en richt steeds meer schade aan, Nederland is hier niet op ingericht. De wijze van klimaatadaptatie beïnvloedt welke ruimtelijke keuzes gemaakt kunnen worden.   Er is ook natuur in het agrarisch gebied en de stad. Natuur heeft vaak ook een recreatieve functie. Het halen van de natuurdoelen vraagt om extra natuurgebied en extensievere landbouw in overgangsgebieden rondom stikstofgevoelige natuur.   Defensieterreinen liggen vaak in een natuurgebied. Defensie vraagt ruimte voor uitbreiding.   Indicatie extra ruimte natuur 2050: 1 tot 98 blokjes extra (bovenop de 161 huidig)   Overheden kunnen onder meer sturen door: Gebieden beschermen; Ontwikkellocaties aanwijzen; Normen stellen (bijv. geluidsnormen); Grondbeleid.

Download de publicatie

Deze website is gebaseerd op het rapport 'Keuzes voor de Leefomgeving 2025'. In het rapport worden de verschillende opgaves en richtingen verder uitgewerkt en de gevolgen ervan besproken.