Planbureau voor de Leefomgeving
Hoe populair is de stad als woonplek? Recente studies laten zien dat jonge gezinnen de grote stad steeds vaker verlaten, en dat studenten minder vaak op kamers gaan in de grote steden. In de jaren na de kredietcrisis van 2008 verschenen er juist studies over dertigers die steeds langer in de stad bleven wonen. Maar er ontbreekt een compleet beeld van de trek van en naar de stad in de afgelopen decennia. Het PBL heeft nu onderzocht hoe de verhuisstromen zich van, naar en tussen de zes grote steden in Nederland hebben ontwikkeld in de periode 1996-2018.
Trond Husby
Anet Weterings
Jolien Groot

Trek van en naar de stad

Veranderingen in verhuispatronen, 1996-2018

Laatst gewijzigd op 14 oktober 2019

Inleiding

De hoge woningprijzen in de grote steden van Nederland suggereren dat een steeds groter deel van de mensen in de stad wil wonen. Maar in hoeverre is dat echt zo? Elk jaar vertrekken er ook veel mensen uit de stad. Bovendien wil niet iedereen in de stad wonen. Traditioneel verhuizen vooral jongeren naar de stad om daar een opleiding te gaan volgen of een baan te vinden, terwijl mensen van rond de dertig vaak de stad vaak verlaten omdat ze – zeker bij gezinsuitbreiding – de voorkeur geven aan een ruimere woning in een rustiger omgeving, vaak in de buurt van de stad (PBL 2015).

Studies naar verhuizingen van en naar de grote steden van de afgelopen jaren schetsen een wisselend beeld van hoe populair de stad is als woonplek. Zo waren er – vooral in de jaren na de kredietcrisis van 2008 – berichten over dertigers die steeds langer in de stad bleven wonen (Boterman et al. 2010; Van Dam & De Groot 2017). Terwijl meer recente studies juist laten zien dat jonge gezinnen de grote steden steeds vaker verlaten (CBS 2017), en dat studenten minder vaak op kamers gaan in de grote steden (CBS 2019b; De Voogt 2018).

Er bestaat geen compleet beeld over hoe de trek van en naar de stad zich heeft ontwikkeld

Het wisselende beeld over de populariteit van Nederlandse steden als woonplek is ontstaan doordat de meeste studies zich richten op het verhuisgedrag van een enkele groep of alleen de veranderingen over een korte periode bekijken. Hierdoor ontbreekt een compleet beeld van hoe de trek van en naar de stad zich heeft ontwikkeld. Gaat het om permanente of tijdelijke veranderingen en is iets vergelijkbaars al eerder gebeurd? En in hoeverre gaat het traditionele patroon van jongeren die naar de stad trekken en dertigplussers die de stad verlaten nog op? Het beantwoorden van deze vragen is van belang voor de planning van woningen en voorzieningen, in de steden en daarbuiten, omdat de toekomstige vraag hiernaar afhangt van veranderingen in de trek van en naar de stad (PBL 2015).

Daarom hebben we onderzocht hoe de verhuisstromen van, naar en tussen zes grote steden in Nederland (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven en Groningen)  zich in de periode 1996-2018 hebben ontwikkeld. Om te bekijken of het traditionele patroon van de trek van en naar de stad is veranderd, onderscheiden we vier leeftijdsgroepen (tussen de 18 en 64 jaar) en vier herkomst- en bestemmingslocaties van degenen die zijn verhuisd (een van de andere grote steden, het ommeland van die steden, overig Nederland en het buitenland) . De vier leeftijdsgroepen vallen ieder samen met een ander moment in de levensfase, waarin – gemiddeld genomen – verschillende gebeurtenissen van invloed zijn op de keuze om te verhuizen en de voorkeur voor de stad of niet. De literatuur suggereert dat de voornaamste reden om te verhuizen over korte afstand is het vinden van een ander type woning of woonomgeving, terwijl werk of sociale contacten de voornaamste motieven zijn voor langeafstandsverhuizingen (Clark & Huang 2003; Gordon & Lamont 1982; Gordon & Molho 1998; Niedomysl 2008; Coulter & Scott 2014).

Nadere informatie over de gebruikte data en definities en onderzoeksmethode staat in bijlage 1 ‘Data en definities’.

Verhuizingen van en naar de grote stad

In de periode 1996-2018 is het aantal personen dat naar een van de zes grote steden is verhuisd elk jaar iets groter dan het aantal dat de grote stad verliet; het totale vestigingssaldo was dan ook alle jaren licht positief (zie figuur B2.1 in bijlage 2). Dit geldt echter niet voor elke leeftijdsgroep. Vooral onder de 18-24-jarigen en in iets mindere mate 25-29-jarigen zijn er in de grote steden meer vestigers dan vertrekkers. Voor dertigplussers geldt juist het omgekeerde (zie figuur B2.2 in bijlage 2).

Dit basispatroon in de trek van en naar de grote stad houdt de hele periode stand, maar er zijn wel duidelijke schommelingen zichtbaar, niet alleen in het aantal mensen dat naar of uit de grote stad verhuist, maar ook in de vestigingssaldo’s. Deze veranderingen beschrijven we meer in detail aan de hand van de interactieve figuur 1a tot en met 1f.

Figuur 1a dient als een gebruiksaanwijzing en legt uit hoe de figuur werkt en welke informatie u er allemaal uit kunt halen.
Figuur 1b tot en met 1e toont per tijdsblok van ongeveer vijf jaar hoe de verhuisstromen zijn veranderd: 1996-2001, 2002-2007, 2008-2013, 2014-2018. De periodes verschillen van elkaar wat betreft economische groei en de ontwikkelingen op de woningmarkt.
In figuur 1f kunt u de ontwikkeling van de verhuisstromen zien in de hele periode, van 1996 tot en met 2018.

Figuur 1a

Figuur 1b

Verhuisstromen 1996-2001 (figuur 1b)

De jaren 1996-2001 waren een periode van economische groei. De jaarlijkse groei van het bruto nationaal product (bnp) bereikte zijn hoogtepunt in 1999, de sterkste jaarlijkse groei van de huizenprijzen volgde een jaar later.

In 1996 bestond de grootste verhuisstroom naar de stad uit 18-24-jarigen die vanuit heel Nederland naar de grote steden verhuisden. Daarnaast verhuisden er ook vanuit het buitenland in 1996 relatief veel mensen naar de stad. De leeftijdssamenstelling van deze groep was meer divers, met net iets vaker dertigers dan de andere drie leeftijdsgroepen. De grootste groep die in 1996 de stad verliet, waren de 30-39 jarigen. Zij domineren de uitstroom in alle richtingen, maar de grootste groep verhuisde naar het ommeland – zeker als wordt bedacht dat dit een veel kleiner gebied is dan de andere bestemmingen. Tot slot verhuisden er in 1996 ook personen tussen de zes grote steden. Dit waren vooral 25-29-jarigen.

Tussen 1996 en 2001 trokken vooral 18-24-jarigen uit Nederland naar de grote stad, terwijl dertigers de stad verlieten voor een woning in het ommeland

Trek naar de stad: In de periode 1996-2001 nam het aantal nieuwe stadsbewoners dat vanuit het buitenland naar de grote steden verhuisde iets toe. Het aantal 18-24-jarigen en, in iets mindere mate, het aantal 25-29-jarigen dat vanuit het ommeland en overig Nederland naar de stad trok bleef gedurende deze periode min of meer gelijk; alleen in 1998 nam hun aantal eenmalig toe. Het aantal jongeren dat vanuit Nederland naar de stad verhuisde was wel veel groter dan het totale aantal vestigers uit het buitenland.

Trek uit de stad: Het aantal stadsbewoners dat in deze periode naar het buitenland vertrok, nam in alle leeftijdsgroepen af. Het aantal dertigers dat vanuit de grote steden naar het ommeland of overig Nederland verhuisde nam wel toe.

Figuur 1c

Verhuisstromen 2002-2007 (figuur 1c)

De periode 2002-2007 werd ingeluid door het uiteenspatten van de internetzeepbel in 2001. Een lichte recessie was het gevolg, met een jaarlijkse groei van het bnp van rond de nul procent in 2002 en 2003. In 2004 zette het herstel in, en tot 2007 draaide de economie op volle toeren. De woningprijzen stegen verder, maar minder hard dan in de vorige periode.

Trek naar de stad: Na de lichte afname in de periode 1996-2001, verhuisden nu elk jaar weer meer 18-24-jarigen vanuit de rest van Nederland naar de grote steden. Het aantal nieuwe stadsbewoners afkomstig uit het buitenland was in de eerste jaren van de periode 2002-2007 vrij stabiel, maar vanaf 2005 steeg deze instroom weer, wederom in alle leeftijdsgroepen.

Tussen 2002 en 2005 vestigden zich steeds meer jongeren uit de rest van Nederland in de stad, terwijl dertigers juist vaker vanuit de stad naar het buitenland vertrokken

Trek uit de stad: Het vertrek vanuit de stad naar het buitenland nam tot 2005 sterk toe en daarna weer iets af. Dit was zo in alle leeftijdsgroepen, maar onder de dertigers het meest. Deze toename was zelfs zo groot dat er in deze periode meer dertigers naar het buitenland verhuisden dan naar het ommeland. Het aantal dertigers dat naar het ommeland verhuisde, bleef in deze periode min of meer gelijk.

Het toegenomen vertrek naar het buitenland leidde ertoe dat het vestigingssaldo van de dertigers, en in iets mindere mate ook dat van de veertigplussers, in deze periode daalde – het vertrekoverschot nam dus toe (zie figuur B2.2 in bijlage 2). Voor beide groepen was het binnenlandse vestigingssaldo in alle voorgaande jaren al negatief, maar tussen 2003 en 2006 werd ook het buitenlandse vestigingssaldo negatief, wat het vertrekoverschot van deze groepen versterkte.

Figuur 1d

Verhuisstromen 2008-2013 (figuur 1d)

De jaren 2008-2013 kenmerkten zich door de economische crisis. De bankencrisis in de Verenigde Staten waaide in het najaar van 2008 over naar Nederland en veroorzaakte een tot 2009 durende recessie. Na een voorzichtig herstel in 2010 en 2011 zette de eurozonecrisis in, met negatieve groei in 2012 en 2013 als gevolg. De jaarlijkse groei van de woningprijzen was in de hele periode negatief.

Tussen 2008 en 2013 kwam het vertrek van de dertigers uit de grote stad tot stilstand, terwijl de instroom van jongeren juist bleef stijgen

Trek naar de stad: De veranderde economische situatie vormde geen rem voor het aantal jongeren dat vanuit overig Nederland naar de steden verhuisde; dit aantal steeg juist nog verder. Daarnaast steeg ook het aantal jongeren dat vanuit het buitenland naar de steden trok. Vanaf 2009 waren de dertigers niet langer de grootste groep die vanuit het buitenland naar de stad verhuisde, maar de 18-24-jarigen.

Trek uit de stad: De crisisperiode temperde het vertrek van de dertigers uit de steden naar het ommeland en overig Nederland, en in iets mindere mate ook dat van de veertigplussers. In de jaren 2008-2013 verhuisden er zelfs meer 18-24-jarigen dan dertigers naar overig Nederland. Alleen het vertrek naar het buitenland nam iets toe, onder alle leeftijdsgroepen, maar vooral onder de dertigers.

Tegelijkertijd met het toenemende vertrek van jongeren uit de grote steden, nam het aantal jongeren dat zich daar vestigde nog sterker toe – het vestigingssaldo van de 18-24-jarigen steeg dan ook, en het vestigingsoverschot nam dus toe (zie figuur B2.2 in bijlage 2). Ook het vestigingssaldo van de dertigers en veertigplussers steeg, waardoor het vertrekoverschot van deze groep kleiner werd. Dit kwam ten eerste doordat minder dertigers en veertigplussers de stad verlieten om zich in de rest van Nederland te vestigen. Ten tweede was het vertrek naar en vestiging uit het buitenland van deze groepen weer min of meer gelijk, terwijl hun vertrekcijfers in de jaren daarvoor hoger waren.

Figuur 1e

Verhuisstromen 2014-2018 (figuur 1e)

Vanaf medio 2014 doofde de crisis uit, waarna een geleidelijk herstel begon. De jaarlijkse economische groei bereikte tussen 2014 en 2018 echter niet het niveau van voor de crisis. Op de woningmarkt zette het herstel ook vanaf 2014 in. Mede door de lage rente bleven de woningprijzen elk jaar stijgen.

Trek naar de stad: Tussen 2014 en 2018 daalde jaarlijks het aantal jongeren dat vanuit de rest van Nederland naar de grote steden verhuisde. Het aantal vestigers vanuit het buitenland steeg juist, en net als in de vorige periode waren dit hoofdzakelijk jongeren. De komst van buitenlandse jongeren compenseerde enigszins de afgenomen verhuisstroom binnen Nederland, waardoor het vestigingsoverschot van de jongeren in de grote steden slechts licht afnam (zie figuur B2.2 in bijlage 2). Het aantal 25-29-jarigen dat naar de stad verhuisde vanuit de rest van Nederland steeg juist iets.

Trek uit de stad: De uitstroom van de dertigers en de veertigplussers vanuit de grote steden naar vooral het ommeland maar in iets mindere mate ook overig Nederland kwam in deze periode weer op gang; de stop was dus tijdelijk. Ook de 25-29-jarigen verlieten wat vaker de stad. Het vertrek naar het buitenland was in deze periode vrij constant.

In 2014-2018 kwam het vertrek van dertigers uit de stad weer op gang; jongeren uit Nederland verhuisden minder vaak naar de stad maar de komst van buitenlandse jongeren compenseerde dit

Ondanks de toename in het vertrek van de dertigers en veertigplussers richting de rest van Nederland, bleef het vestigingssaldo van beide groepen in deze periode vrij stabiel (zie figuur B2.2 in bijlage 2). Net als voor de jongeren, komt dit door het positieve buitenlandse vestigingssaldo: er vestigden zich meer dertigplussers vanuit het buitenland in de steden dan dat er naar het buitenland vertrokken. Wel bleef het totale vestigingssaldo voor deze leeftijdsgroepen negatief, en was er dus een vertrekoverschot.

Figuur 1f

Verhuisstromen 1996-2018 (figuur 1f)

Deze laatste figuur toont de verhuisstromen in de totale periode van 1996 tot 2018.

Is de trek van en naar de stad veranderd?

In de afgelopen twee decennia is er dus veel veranderd in de trek van en naar de stad. Maar hebben deze veranderingen er ook toe geleid dat het traditionele patroon is veranderd, van jongeren die naar de steden trekken en dertigplussers die de steden – tijdelijk of permanent – verlaten? En in hoeverre zijn de herkomst- en bestemmingslocaties van deze groepen gewijzigd?

Aandelen naar leeftijdsgroep

Als we voor de periode 1996-2018 kijken naar de (jaarlijkse) relatieve aandelen van elke leeftijdscategorie in de in- en uitstroom (figuur 2), valt direct op dat veruit de meeste nieuwe stadsbewoners (vestigers) 18-24 jaar oud zijn en dat dit in de afgelopen 22 jaar niet is veranderd. Wel zien we voor deze leeftijdscategorie, na een geleidelijke toename tot ruim boven 40 procent in 2014, de laatste jaren weer een afname in vestiging (figuur 2, links).

Daarnaast is de verhouding tussen de vier leeftijdsgroepen voor de vestiging in de grote steden vrij stabiel: jongeren vormen altijd het grootste aandeel en de veertigplussers het kleinste. De 25-29-jarigen vormen bijna de hele periode de een na grootste groep; alleen tussen 2001 en 2004 was het aandeel dertigers net iets hoger dan of gelijk aan het aandeel 25-29-jarigen.

Bij de vertrekkers vormen de dertigers in alle jaren nog altijd de grootste groep (figuur 2, rechts). Wel nam hun aandeel sinds 2000 gestaag af; rond 2012 was hun aandeel zelfs bijna hetzelfde als dat van de 18-24-jarigen. Daarna steeg het aandeel vertrekkende dertigers weer, hoewel het nog altijd kleiner is dan in de periode 1996-2000.

De verschillen tussen de aandelen van de vier leeftijdsgroepen zijn onder de vertrekkers veel kleiner dan onder de vestigers. Dat was al zo in 1996, maar is in 2018 nog meer het geval. Bij de vertrekkers is er dus minder sprake van één dominante groep dan bij de vestigers.

Het aandeel van de 25-29-jarigen en van de 40-64-jarigen is in vergelijking met dat van de andere twee leeftijdsgroepen vrij stabiel in de periode 1996-2018. Wel is het belang van beide groepen binnen de trek van en naar de stad heel verschillend. Zo vormen de 25-29-jarigen zowel aan het begin als aan het einde van de periode en zowel onder de vestigers als de vertrekkers de op een na grootste groep. Zoals in figuur 1 is te zien, verhuizen zij in alle richtingen. Al die tegengestelde verhuisbewegingen leiden ertoe dat het vestigingssaldo van deze groep laag is (zie figuur B2.2 in bijlage 2), maar ze zijn dus wel heel mobiel en spelen daarmee een belangrijke rol in de trek van en naar de stad. Het aandeel 40-64-jarigen daarentegen is beperkt, zowel in de vestiging als in het vertrek. Hoewel veel personen tot deze leeftijdsgroep behoren, zijn ze dus weinig mobiel en daarmee weinig van invloed op de trek van en naar de stad.

Aandelen naar herkomst en bestemming

Hoeveel procent van alle nieuwe stadsbewoners is afkomstig uit een andere grote stad, het ommeland, overig Nederland of het buiteland, en hoe zijn de vertrokken stadsbewoners verdeeld over deze vier locaties? Voor de instroom is er halverwege de periode 1996-2018 een duidelijke omslag zichtbaar in waar de grootste groep nieuwe stadsbewoners vandaan kwam (figuur 3, links). In 1996 kwam 40 procent nog uit de Nederlandse gemeenten buiten de directe omgeving van de grote steden (‘overig Nederland’); in 2018 is dat gedaald tot 28 procent. Het omgekeerde geldt voor het aandeel vestigers uit het buitenland. In 2018 is maar liefst 44 procent van alle vestigers in de grote steden afkomstig uit het buitenland.

Ook de voornaamste bestemming van degenen die in de periode 1996-2018 de stad hebben verlaten is veranderd. Wel is in dit geval meer sprake van tijdelijke veranderingen dan van een echte omslag. Zo verruilde het grootste deel van de vertrekkers de stad zowel voor het ommeland als voor de gemeenten in overig Nederland. Daarna nam echter het aandeel dat naar het buitenland verhuisde sterk toe, en vanaf 2005 is het buitenland jarenlang de voornaamste bestemmingslocatie. Vanaf 2013 verandert dit en vestigde een toenemend aandeel van de vertrekkers uit de stad zich weer in Nederland. In 2018 is het aandeel dat naar overig Nederland verhuist zelfs gelijk aan het aandeel dat naar het buitenland verhuist.

Wat beïnvloedt welke groep?

De hiervoor beschreven veranderingen in de verhuispatronen van de vier leeftijdsgroepen en inzichten uit andere studies wijzen erop dat de verhuisoverwegingen van de groepen van elkaar verschillen. De fluctuaties tussen de verschillende jaren laten ook impliciet zien welke factoren de beslissing om te verhuizen beïnvloeden. Zo vertrekken jongeren vaak naar de stad voor het volgen van een opleiding. Veranderingen in het onderwijs of van de studiefinanciering zijn dan ook van invloed op de verhuisbeslissing van deze leeftijdsgroep (CBS 2018; Geerts & Brons 2018). Na een jarenlange toename in het aantal jongeren dat vanuit het ommeland en overig Nederland naar de zes grote steden verhuisde, neemt deze stroom recent af, met name in Amsterdam en Utrecht.  Mogelijk hangt dit samen met het verdwijnen van de basisbeurs voor nieuwe bachelor- of masterstudenten in 2015 (CBS 2019b). Die afname wordt echter gecompenseerd door de gestegen instroom van jongeren vanuit het buitenland. Jongeren zorgen dan ook nog altijd voor de grootste aanwas van inwoners in de zes grote steden.

De nieuwe stadsbewoners zijn steeds vaker afkomstig uit het buitenland.  Als we ons beperken tot de binnenlandse verhuizingen, dan is het vestigingssaldo in de grote steden zelfs negatief. De verhuisstromen van en naar het buitenland worden beïnvloed door economische, politieke en institutionele veranderingen, binnen Nederland én in de landen van herkomst.  Het is daardoor moeilijk één oorzaak te geven voor de gevonden veranderingen.

De tijdelijke afname in het vertrek van dertigers, en in iets mindere mate ook in dat van de 40-64 jarigen, uit de stad tussen 2003 en 2013, suggereert dat hun verhuisbeslissing sterk afhankelijk is van de situatie op de woningmarkt.  Vooral de verhuizingen naar het ommeland – de directe omgeving van de steden – liepen terug, en juist die verhuizingen zijn vaak gericht op het vinden van een ander type woning of woonomgeving. Twee ontwikkelingen op de huizenmarkt in deze periode remden mogelijk het vertrek van de dertigplussers uit de stad. Ten eerste maakte het toenemende aanbod van gezinswoningen in de steden door de bouw van de Vinex-wijken dat zij hun woonwensen ook in de steden konden vervullen (Van Dam & De Groot 2017).  En ten tweede daalden vanaf 2008 de huizenprijzen sterk door de kredietcrisis, waardoor veel woningen onder water kwamen te staan. De recessie van 2001 had nauwelijks invloed op het vertrek van de dertigplussers uit de stad; die recessie had slechts beperkt effect op de woningmarkt.

De verhuisbeslissing van de 25-29-jarigen daarentegen lijkt meer samen te hangen met ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Zowel de kredietcrisis als de recessie van 2001 beïnvloedde de trek van deze groep naar de steden. Die recessie had weinig invloed op de woningmarkt, maar wel op de arbeidsmarkt. Veel van de 25-29-jarigen zijn starters op de arbeidsmarkt die naar of tussen de steden verhuizen in hun zoektocht naar werk. Ook de afname van het vertrek van deze groep uit de steden hangt mogelijk samen met ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. In de afgelopen decennia nam vooral in de dienstensector het aantal banen toe, en die activiteiten concentreren zich sterk in de grote steden. Niettemin nam recent de uitstroom van 25-29-jarigen naar vooral het ommeland weer toe, en in 2018 is hun binnenlandse vestigingssaldo zelfs licht negatief. Mogelijk dwingen de sterk gestegen woningprijzen in combinatie met het nog relatief beperkte inkomen van deze leeftijdsgroep, ze te gaan wonen in de gemeenten in de nabijheid van de grote steden van waaruit ze nog wel hun werk in de steden kunnen bereiken.

Tot slot

De trek van en naar de stad kent een vaste basis en die basis is in de afgelopen 22 jaar onveranderd gebleven: vooral jongeren verhuizen naar de grote steden, terwijl mensen van dertig jaar en ouder de steden vaker verlaten. Wel komen vanaf 2006 de nieuwe stadsbewoners niet langer hoofdzakelijk uit Nederland, maar uit het buitenland. Daarnaast is de samenstelling van de groep die de stad verlaat meer divers geworden: de dertigers vormen nog altijd de grootste groep, maar sinds 2006 stijgt ook het aandeel vertrekkende grotestadsbewoners onder de dertig jaar. Dit kan samenhangen met de gestegen immigratie van jongeren die naar Nederland komen om te gaan studeren: mogelijk verlaat een groot deel van de buitenlandse studenten het land weer zodra zij hun opleiding hebben afgerond (Nuffic 2018).

In alle jaren vestigen meer mensen zich in de grote steden dan dat er vertrekken. Laten we echter de verhuizingen van en naar het buitenland buiten beschouwing, dan is in 2018 de trek uit de stad groter dan de trek naar de stad. In de context van onze lange tijdsreeks lijkt deze verandering op een terugkeer naar een van oudsher bekende verhuistrend in Nederland: tussen 1996 en 2005 vertrokken ook al meer personen uit de stad naar de rest van Nederland dan omgekeerd. Tijdens de kredietcrisisperiode (2008-2013) stelden dertigers uit de grote steden hun verhuizing uit (CBS 2016; Van Veldhuizen et al. 2017). Hierdoor nam het vertrek uit de stad tijdelijk af, maar inmiddels is dat weer op gang gekomen.

Als we alleen kijken naar binnenlandse verhuisstromen lijkt het dus wel mee te vallen met de populariteit van de grote steden als woonplek. Toch ligt dit genuanceerder. Deze studie laat al zien dat dit verschilt per leeftijdsgroep, maar ook binnen die groepen bestaan grote verschillen in wie wel en wie niet in de stad wil wonen. Vooral hoogopgeleiden willen graag in de steden wonen, zelfs na gezinsuitbreiding (Boterman 2014; Van Dam & De Groot 2017).

Literatuur

Boterman, W.R. (2014), ‘Gentrification en de terugkeer van middenklassegezinnen naar Amsterdam’, pp. 167-190 in: J. Bakens, H. de Groot, P. Mulder & C.J. Pen, Soort zoekt soort: Clustering en sociaaleconomische scheidslijnen in Nederland, Den Haag: Platform 31.

Boterman, W.R., L. Karsten & S. Musterd (2010), ‘Gentrifiers settling down? Patterns and trends of residential location of middle-class families in Amsterdam, Housing Studies, 25(5): 693-714.

Clark, W.A.V. & Y. Huang (2003), ‘The life course and residential mobility in British housing markets’, Environment and Planning A, 35: 323–339.

CBS (2016), Meer jonge gezinnen verlaten de stad.

CBS (2017), Veel jonge gezinnen verlaten de stad.

CBS (2018), Studenten gaan minder op kamers.

CBS (2019a), Voor derde jaar op rij 100 duizend inwoners erbij.

CBS (2019b), Studerende en werkende jongeren gaan later uit huis.

Coulter, R. & J. Scott (2015), ‘What motivates residential mobility? Re‐examining self‐reported reasons for desiring and making residential moves’, Population, Space and Place, 21(4): 354-371.

Dam, F. van & C. de Groot (2017), ‘De triomf van de stedelijke woonvoorkeur’, Ruimte + Wonen, juli 2017.

Geerts, A. & A. Brons (2018), ‘Hoe financieel onafhankelijk zijn jongvolwassenen?’, Demos: bulletin over bevolking en samenleving, 34(2): 5-7.

Groot, C. de, M. van der Staak, F. Daalhuizen & G. de Kam (2019), Aanpassen of verkassen. Langer zelfstandig in een geschikte woning, Den Haag: PBL.

Jennissen, R., G. Engbersen, M. Bokhort & M. Bovens (2018), De nieuwe verscheidenheid. Toenemende diversiteit naar herkomst in Nederland, Den Haag: WRR.

Niedomysl, T. (2011), ‘How migration motives change over migration distance: Evidence on variation across socio-economic and demographic groups’, Regional Studies, 45(6): 843-855.

Nuffic (2018), To stay or not to stay: Hoe binden we buitenlandse studenten?.

PBL (2015), De stad: magneet, roltrap en spons. Bevolkingsontwikkelingen in stad en stadsgewest, Den Haag: PBL.

Veldhuizen, S. van, B. de Vogt & B. Voogt (2017), ‘Mobiliteit bij hoge hypotheekschuld’, ESB, 102, mei 2017.

Voogt, S. de (2018), ‘Studenten wonen vaker thuis mede door afschaffing basisbeurs’, NRC, 3 oktober 2018.

Bijlage 1 Data en definities

Dit onderzoek is gebaseerd op de registerbestanden van de gemeentelijke basisadministratie (GBA), in beheer bij het CBS. Deze bestanden bevatten informatie over persoonskenmerken van alle inwoners van Nederland, waaronder leeftijd en woonplek. Voor deze studie zijn alle inwoners tussen de 18 en 64 jaar geselecteerd, in de jaren 1995 tot en met 2018. De inwoners die onder de noemer ‘verhuisd’ vallen, hadden op 15 december in een bepaald jaar een ander adres dan op 15 december het jaar daarvoor; verhuizingen binnen die periode blijven dus buiten beschouwing. Eerst zijn vestigings- en vertrekaantallen per jaar, leeftijdsgroep en gemeente berekend. Vervolgens zijn deze stromen geaggregeerd naar vier typen locaties (zie hieronder) en is voor elke locatie het vestigingssaldo (de instroom min de uitstroom) per leeftijdscategorie berekend. Daarnaast is voor zowel de instroom als de uitstroom het aandeel personen per leeftijdscategorie en locatie bepaald.

Regionale indeling

We onderscheiden vier locaties op basis van de woonadressen op 15 december van elk jaar: ‘grote stad’, ‘ommeland’, ‘overig Nederland’ en ‘buitenland’. In navolging van de eerdere PBL-studie De stad: magneet, roltrap en spons bestaan de grote steden uit de vier gemeenten met het grootste aantal inwoners (Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht) en de twee universiteitssteden Eindhoven en Groningen (gemeentelijke indeling 2015). Het ommeland bestaat uit de gemeenten die volgens de stadsgewestindeling van het CBS uit 2015 samen met de steden het stadsgewest vormen, inclusief negen groeikernen (Almere, Capelle aan den IJssel, Haarlemmermeer, Hellevoetsluis, Houten, Nieuwegein, Purmerend, Nissewaard en Zoetermeer).

Leeftijdscategorieën

Degenen die zijn verhuisd, zijn ingedeeld in vier leeftijdsgroepen: 18-24 jaar; 25-29 jaar; 30-39 jaar en 40-64 jaar. Elke leeftijdsgroep vertegenwoordigt een ander moment in de levensfase, waarin – gemiddeld genomen – verschillende gebeurtenissen (life events) van invloed zijn op de keuze om te verhuizen. De 18-24-jarigen verhuizen vaak voor het eerst (uit het ouderlijk huis), waarbij een deel vertrekt om elders een opleiding te gaan volgen; 25-29-jarigen verhuizen vaak voor een baan; en de 30-39 jarigen vanwege de komst van kinderen. In de leeftijdsgroep 40-64 jaar wordt minder vaak verhuisd, in deze levensfase zijn er vaak minder gebeurtenissen die daartoe aanleiding geven. Verhuizingen onder de 18 jaar nemen we niet mee, omdat deze groep (meestal) niet zelfstandig verhuist. Verhuizingen van 65-plussers zijn eveneens buiten beschouwing gelaten, omdat de verhuisgeneigdheid in deze groep vaak gering is; als ze verhuizen, is dat relatief vaak vanwege gezondheid of zorg (De Groot et al. 2019). Wel spelen er verschillende huisvestigingsvraagstukken specifiek voor deze leeftijdsgroep. Deze zijn nader onderzocht in de PBL-studie Langer zelfstandig wonen in een geschikte woonomgeving.

Gerealiseerd verhuisgedrag

In deze studie kijken we alleen naar daadwerkelijke verhuizingen, dat wil zeggen naar huishoudens die op grond van het beschikbare woningaanbod en hun budget uiteindelijk ook zijn verhuisd. De woonvoorkeur van huishoudens kan dus verschillen van hun uiteindelijke verhuisbeslissing.

Bijlage 2

Figuur B1 laat zien hoeveel personen er jaarlijks de zes grote steden verlaten en hoeveel er zich vestigen. De lijn geeft het vestigingssaldo weer: het verschil tussen het aantal vertrekkers en vestigers. Ligt deze lijn boven de horizontale as, dan zijn er meer vestigers dan vertrekkers en is er een vestigingsoverschot. Als de lijn onder de horizontale as ligt, is er juist een vertrekoverschot. Figuur B2 laat hetzelfde zien, maar dan voor elk van de vier leeftijdsgroepen.


Colofon

Trek van en naar de stad
Veranderingen in verhuispatronen, 1996-2018

© PBL Planbureau voor de Leefomgeving

Den Haag, juli 2019

PBL-publicatienummer: 3724

Contact
trond.husby@pbl.nl

Auteurs
Trond Husby, Anet Weterings en Jolien Groot

Redactie figuren
Visualisatieteam PBL

Foto
Kim van Dam / Nationale Beeldbank

Eindredactie en productie
Uitgeverij PBL

Delen uit deze publicatie mogen worden overgenomen op voorwaarde van bronvermelding: Husby, T. et al. (2019), Trek van en naar de stad. Veranderingen in verhuispatronen, 1996-2018, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is het nationale instituut voor strategische beleidsanalyses op het gebied van milieu, natuur en ruimte. Het PBL draagt bij aan de kwaliteit van de politiek-bestuurlijke afweging door het verrichten van verkenningen, analyses en evaluaties waarbij een integrale benadering vooropstaat. Het PBL is vóór alles beleidsgericht. Het verricht zijn onderzoek gevraagd en ongevraagd, onafhankelijk en wetenschappelijk gefundeerd.