We lopen de afgelopen jaren steeds vaker tegen de grenzen van het water- en bodemsysteem aan. Voldoende goed drinkwater is niet langer vanzelfsprekend. Het voortbestaan van planten- en diersoorten staat onder druk. De kwaliteit en beschikbaarheid van water en bodem hebben grote invloed op onze scheepvaart, landbouw, energievoorziening, industrie en natuur. Het veranderende klimaat zet alles op scherp. De zeespiegel stijgt. De afgelopen jaren hebben we in korte tijd te maken gehad met grote wateroverlast en extreme droogte. Door water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening, kunnen we in Nederland ook in de toekomst met een ander en grillig klimaat blijven leven, wonen en werken. In een veilige omgeving, met een gezonde bodem en voldoende en schoon water. De teksten en kaarten van het thema ‘Water en bodem in de RO’ zijn samengesteld door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW).

Op 25 november 2022 stuurde het kabinet de Tweede Kamer een uitgebreide brief over Water en Bodem Sturend (WBS). In deze brief zijn 33 structurerende keuzes (SK’s) opgenomen. Gezamenlijk vormen ze de kern van het beleid. Op 22 oktober 2024 informeerde Minister Madlener de Tweede Kamer over de visie op Water en Bodem naar aanleiding van het Tweeminutendebat Water van 8 oktober 2024. In deze brief wordt verduidelijkt dat het beleid Water en Bodem Sturend niet als allesbepalend moet worden uitgelegd. Water en Bodem Sturend betekent dat we rekening houden met water en bodem in de ruimtelijke ordening. Op deze pagina brengt het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat de landelijke informatie bij elkaar die ruimtelijke planners helpt om WBS toe te passen.

Lessons learned

In de praktijkgids Water en Bodem Sturend beschrijft het College van Rijksbouwmeester en Rijksadviseurs (CRA) in zes stappen hoe in projecten, programma’s en bij beleidsontwikkeling kan worden gewerkt vanuit het principe ‘water en bodem sturend’.

Het CRA heeft tevens waardevolle lessen gebundeld van Kennisregio aan Zee, Fryslân, Regio IJssel-Vechtdelta en Groene Metropool Arnhem-Nijmegen in de publicatie Water en bodem als basis - 10 lessen uit de regio.

Informatie per SK

Hieronder is per thema de landelijke informatie per SK te vinden. De kaarten zijn onderverdeeld in de categorieën basiskaarten (feiten), signaleringskaarten (analyse) en sturingskaarten (beleid).

In de viewer (tabblad ‘Kaarten’) onder ‘Water en Bodem in de RO’ kunnen sommige van deze kaarten worden gecombineerd. Daarnaast bieden we waar mogelijk een downloadfunctie aan, zodat landelijke data kan worden gecombineerd met regionale data in de applicatie van de ruimtelijk planner. De downloadlink is te vinden onder 'Uitleg bij kaart' in de kaartviewer.

Van kaarten wordt waar mogelijk zowel de (WMS)service als een downloadbaar bestand opgenomen. Zie voor meer informatie over deze verschillende opties: Uitleg over het gebruiken van data (Bron: Rijkswaterstaat).

SK 1.

Op basis van het huidige klimaatscenario, hanteren we voor het hoofdwatersysteem de ambitie om weerbaar te zijn tegen een droogte, die bij een scenario van grote klimaatverandering en sterke groei van economie en bevolking gemiddeld eens in de 20 jaar voorkomt.

De doelstelling van het Deltaprogramma Zoetwater is dat Nederland in 2050 weerbaar is tegen watertekorten. Voor het hoofdwatersysteem is de ambitie om weerbaar te zijn tegen een droogte die eens in de 20 jaar voorkomt bij een scenario van grote klimaatverandering en sterke groei van de economie. Met o.a. de strategie Klimaatbestendige Zoetwatervoorziening Hoofdwatersysteem en het programma Ruimte voor de Rivier 2.0 geven we hier invulling aan. Conform het NWP, de Deltabeslissing Zoetwater en de NOVI, vangen we watertekort conform de volgende voorkeursvolgorde op:

  1. bij de ruimtelijke inrichting en het landgebruik rekening houden met waterbeschikbaarheid en grondwaterpeil condities;
  2. zuiniger omgaan met water;
  3. water beter vasthouden; vasthouden doen we zowel mogelijk in de bodem die als spons het water opneemt; extremen vangen we op in bergingen;
  4. water slim verdelen;
  5. (rest)schade accepteren.

In de Klimaateffectatlas is uitleg over watertekorten te vinden. De onderstaande kaarten geven het tekort aan oppervlaktewater aan in een extreem droog jaar. Regionaal zijn meer gedetailleerde en actuelere kaarten beschikbaar.

SK 2.

De omvang van alle grondwateronttrekkingen wordt in beeld gebracht. Hiermee werken we toe naar een robuust grondwater-systeem en beperken we de nadelige effecten van grondwateronttrekking om ook in de toekomst zoveel mogelijk functies te faciliteren.

Er wordt gewerkt aan het in beeld brengen van grondwateronttrekkingen. Het beeld is nog niet compleet, omdat kleinere onttrekkingen niet vergunningplichtig zijn.

SK 3.

We werken toe naar nieuwe en diverse drinkwaterbronnen. Hiermee zorgen we voor voldoende drinkwaterbronnen van voldoende kwaliteit. Provincies en drinkwaterbedrijven schalen daarbij op via regionale systemen naar een verbonden landelijk drinkwaternet.

Daarnaast blijven we bestaande drinkwaterbronnen beschermen.

De ‘Sturingskaart drinkwater’ is te vinden onder het thema ‘Bebouwd gebied’, SK 21 en 22. Deze kaart is tevens opgenomen in het Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving en laat zien in welke gebieden er op korte of langere termijn problemen kunnen ontstaan in de drinkwatervoorziening als er geen extra maatregelen worden genomen. Het betreft gebieden waar men bij initiatieven die tot een grotere drinkwatervraag leiden tijdig contact moet opnemen met het drinkwaterbedrijf.

SK 4.

We werken toe naar een drinkwatergebruik per hoofd van de bevolking van 100 liter in 2035 (thans 125 liter) en beperken laagwaardig gebruik van drinkwater. Grootverbruikers vragen we het drinkwatergebruik ook met 20% te reduceren. Zo beperken we het effect van toename van de watervraag in relatie tot de schaarsere beschikbaarheid van water.

Voor deze SK is ruimtelijke data niet van toepassing.

SK 5.

We voeren maatregelen uit van de Kaderrichtlijn Water (KRW) Stroomgebiedbeheerplannen 2022-2027, het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn 2022-2026 met bijbehorend addendum, de derogatiebeschikking, de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) en uitvoeringsprogramma’s zoals voor reducties van medicijnresten en andere chemische stoffen.

De visualisatie van de tussenevaluatie van de KRW 2024 laat op meerdere niveau’s en onderdelen de stand van zaken zien. De signaleringskaart ecologische waterkwaliteit geeft een integraal beeld van de waterkwaliteit.

Actuele informatie is te vinden op het Waterkwaliteitsportaal van het Informatiehuis Water. Er is nog geen landelijke richtlijn voor hoe we in de ruimtelijke ordening rekening houden met de waterkwaliteit.

SK 6.

We begrenzen de koelwaterlozingen op de grote rivieren. Daarmee blijft de temperatuur van het rivierwater op een acceptabel niveau.

De watertemperatuur beïnvloedt de kwaliteit en de ecologische toestand van het water. De temperatuur van het watersysteem is bepalend voor de ruimte die er is om koelwaterlozingen van bedrijven toe te staan. In de Kaderrichtlijn Water (KRW) is een doeltemperatuur opgenomen van 25 °C voor het ontvangende water, om de ecologie te beschermen. In de Klimaateffectatlas staat uitleg over de opwarming van oppervlaktewater.

SK 7.

We creëren ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water in onze ruimtelijke inrichting, landgebruik en landbeheer. Hiermee vergroten we de veerkracht van zowel het hoofdwatersysteem als regionale watersystemen.

Voor het deel van deze SK dat gaat over het rivierengebied dat onderdeel is van het hoofdwatersysteem is regelgeving van kracht (artikel 5.42 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving). Deze regelgeving betreft reserveringsgebieden waarmee geborgd wordt dat de bergings- en/of afvoercapaciteit vergroot kan worden. In de reserveringsgebieden mogen geen grootschalige of kapitaalintensieve ontwikkelingen worden gepland die waterbergende maatregelen belemmeren.

SK 8.

We houden rekening met grotere peilfluctuaties en de optie van peilaanpassingen van het IJsselmeer en het Markermeer.

Klimaatverandering maakt dat we in de toekomst, als gevolg van droogte, hoge rivierafvoeren en zeespiegelstijging een grotere zoetwaterbuffer en meer bergingscapaciteit nodig hebben in het IJsselmeergebied. Op de lange termijn is mogelijk een hoger peil noodzakelijk.

SK 9.

We staan geen nieuwe landaanwinning (eilanden) toe in het IJsselmeergebied, behalve voor overstroombare natuur en om te voldoen aan de Natura 2000-doelen en KRW.

Deze SK is opgenomen in het Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving. Voor deze SK is regelgeving van kracht (artikel 5.49 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving). De huidige regelgeving laat in principe geen landaanwinning en bebouwing toe, maar biedt enkele uitzonderingen, waaronder per gemeente een afgemeten aantal hectares waarbinnen landaanwinning en bebouwing wel zijn toegestaan.

SK 10.

We staan in de uiterwaarden (die vallen onder de Beleidsregels grote rivieren) geen nieuwe bebouwing meer toe. Daarmee maken we onze rivieren klimaat-robuuster en voorkomen we toenemende schade.

De koers van de nieuwe Beleidslijn Grote Rivieren is om geen nieuwe bebouwing in de uiterwaarden meer toe te staan. Hiermee wordt voorkomen dat nieuwe activiteiten of objecten in het rivierbed de plannen voor toekomstbestendigere rivieren duurder of onmogelijk maken. Ook wordt verdere schade voorkomen bij hoge waterstanden of overstromingen.

Deze SK is opgenomen in het Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving.

De onderliggende sturingskaarten BGR staan op het Informatiepunt Leefomgeving.

SK 11.

We actualiseren de huidige reserveringszones rond primaire waterkeringen (dijken en kust). Daarmee reserveren we ruimte voor toekomstige dijk- en kustversterkingen, en maken ze zo blijvend mogelijk.

  • Sturingskaart reserveringszones rond primaire waterkeringen (wordt later toegevoegd)
SK 12.

We verzoeken provincies, waterschappen en gemeenten zowel op dijken de biodiversiteit te bevorderen, als binnendijks naar ruimte te zoeken voor natuurlijke achteroevers. Hiermee zorgen we voor robuuste watersystemen.

Voor deze SK is ruimtelijke data niet van toepassing.

SK 13.

We reserveren de 5% tot 10% van diepe polders voor waterberging, bij voorkeur de diepste delen. We voorkomen hiermee wateroverlast als gevolg van aanhoudende regenval of piekbuien. Hier is geen nieuwe bebouwing toegestaan, tenzij het niet ten koste gaat van het waterbergend vermogen.

De Sturingskaart waterbergingsgebieden laat zien welke waterbergingsgebieden door de waterschappen zijn aangewezen. Deze kaart is opgebouwd uit gebiedsgrenzen die door alle waterschappen zijn aangeleverd.

  • Sturingskaart waterbergingsgebieden (wordt later toegevoegd)

De Signaleringskaart mogelijke waterbergingsgebieden laat zien waar het regenwater zich van nature ophoopt. Deze plaatsen kunnen een logische plek zijn voor extra waterberging. De kaart toont de 5 en 10 procent diepste delen van de polders waarbij bebouwde gebieden buiten beschouwing zijn gelaten.

SK 14.

We staan kustuitbreiding vooralsnog niet toe. Hiermee voorkomen we onnodige druk op onze zandvoorraad, die cruciaal is om de kust op orde te houden met het oog op zeespiegelstijging.

Deze SK is opgenomen in het Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving.

SK 15.

We versterken de regie op de inrichting van de ondergrond. Daarmee bereiken we een efficiënte inrichting ervan, zodat ontwikkelingen als woningbouw en energietransitie mogelijk worden gemaakt zonder de bodem aan te tasten.

Voor de ondergrond willen we een zorgvuldig geordende, optimaal benutte ondergrondse ruimte, waar functies zoals bijvoorbeeld bodem-energie en grondwatervoorraden elkaar niet negatief beïnvloeden. Het gaat hierbij ook bijvoorbeeld om het in standhouden van bodemlagen en het beschermen van natuurlijke bodemschatten zoals grondwatervoorraden en het behoud (in situ) van archeologisch erfgoed.

Zie de ‘Sturingskaart grondwaterbeschermingsgebieden rondom drinkwaterbronnen’ onder het thema ‘Voldoende en schoon (zoet)water’, SK 3. Kaarten over aanvullende strategische voorraden zijn op provinciaal niveau beschikbaar.

We hebben te maken met drukte in de ondergrond van kabels en leidingen. De inzet is om niet uit te wijken naar plekken waar we geen verstoring willen. Data zijn regionaal beschikbaar.

SK 16,
17 en
20.

We streven bij verstedelijking en infrastructuur naar zo efficiënt mogelijk gebruik van ruimte, dekken de bodem zo min mogelijk af en herstellen de bodem waar mogelijk. Zo behouden we waardevolle organisch rijke landbouw- en natuurbodems en blijft de sponswerking van de bodem behouden.

We sturen ook in bestaand bebouwd gebied op vermindering van onnodige bodemafdekking. De verstedelijkte omgeving wordt beter leefbaar als er minder hitte-stress is of wateroverlast tijdens piekbuien. Dit bereiken we door de bodem te herstellen en in te zetten op stedelijk groen.

We herijken de aanpak van bestaande en diffuse bodemverontreiniging. Dit doen we om de risico’s voor mens en milieu te beperken. Hiervoor is een gebiedsgerichte aanpak nodig, omdat geheel saneren praktisch vaak geen optie is.

In landelijk gebied is ruimte nodig voor infiltratie van regenwater. Deze infiltratie zorgt voor de nodige aanvulling van grondwater voor landbouw en natuur. Met name hoge zandgronden zijn geschikt voor infiltratie. Zie ook het thema ‘Hoge zandgronden’, SK 30.

De Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) bevat data over de inrichting van de fysieke omgeving.

Daar waar de bodem verdicht of licht vervuild is, heeft afdekking de voorkeur boven het afdekken van vruchtbare landbouwgronden of waardevolle natuurgebieden.

Verstening maakt steden extra kwetsbaar voor de gevolgen van extreme regenbuien, droogte en hoge temperaturen. Want door verstening kan neerslag maar beperkt in de bodem infiltreren, wat tot droogte én wateroverlast kan leiden. Om hittestress en wateroverlast tegen te gaan is het met name in de meest versteende gebieden belangrijk om een minimale bedekking van de resterende bodem na te streven, bomen te planten en lagere, natuurlijke vegetaties te ontwikkelen. Hierbij dient de te ontwikkelen natuur klimaatbestendig te zijn en een basiskwaliteit te hebben.

Uitleg bij de Basiskaart groen-en-grijs is te vinden in de Klimaateffectatlas.

Tijdens hittegolven en hete zomerdagen is het belangrijk dat er koele plekken in de buurt zijn waar mensen snel naartoe kunnen.

Uitleg bij de Basiskaart afstand-tot-koelte is te vinden in de Klimaateffectatlas.

SK 18.

We behouden ook voor de toekomst waardevolle landbouwgronden. Dit doen we door maatregelen uit te werken voor het beheer van landbouwgronden op het gebied van materieel, nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen etc.

Voor deze SK is ruimtelijke data niet van toepassing.

SK 19.

We gaan bodemverstoring door ontgraving tegen en hergebruiken grond hoogwaardig. Daarmee behouden we gezonde en vitale bodems.

Voor deze SK is ruimtelijke data niet van toepassing.

SK 21
en 22.

We maken de risico’s van overstromingen, wateroverlast, bodemdaling en drinkwaterbeschikbaarheid sturend bij de locatiekeuze en inrichting van woningbouw. Hiermee voorkomen we dat we nieuwbouw gaan realiseren op locaties waar we later spijt van gaan krijgen.

We benutten locaties waar in de toekomst ruimte nodig is voor rivierafvoer en toekomstige dijkversterkingen niet (meer) voor bebouwing.

We zorgen voor voldoende waterberging om nieuwe en bestaande locaties droog te kunnen houden.

In de komende jaren worden er veel woningen gebouwd. Een deel hiervan ligt in kwetsbare delen waar zich risico’s met betrekking tot overstromingen, wateroverlast en/of bodemdaling voordoen. De druk op het water- en bodemsysteem is hoog en door klimaatverandering neemt de problematiek rond bodemdaling, overstromingen, wateroverlast, en verdroging toe. Nieuw te ontwikkelen bouwlocaties moeten hier tegen bestand zijn. Dat geldt natuurlijk ook voor het bestaand bebouwd gebied. Zie ook de nationale aanpak voor een klimaatadaptieve gebouwde omgeving.

Voor klimaatadaptief bouwen is het Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving ontwikkeld. Hierin komen meerdere SK’s bij elkaar. Zie ook SK 2, 7, 9, 10 en 14.

In de Klimaateffectatlas staat uitleg over bodemdaling en grondwateroverlast. In grote delen van laag Nederland kan toenemende bodemdaling de kans op grondwateroverlast vergroten.

Naast klimaatadaptatie moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met zaken als bodemverdichting en bodemkwaliteit. Het behouden van schone, waardevolle landbouwgronden en natuurgebieden dient te worden meegewogen bij de keuze van een bouwlocatie. Zie de kaarten onder het thema ‘Bodem’, SK 16, 17 en 20.

SK 23.

We passen de maatlat voor een klimaatadaptieve en natuurinclusieve gebouwde omgeving toe. Daarmee ontwikkelen we gebieden klimaatbestendiger.

Maatlat groene klimaatadaptieve en natuurinclusieve gebouwde omgeving

SK 24.

We sturen als overheden op zo min mogelijk afdekking van de bodem. Daarmee behouden we buiten het bebouwd gebied goede landbouwgrond, reduceren we hittestress en bevorderen we waterinfiltratie binnen het bebouwd gebied.

Zie de kaarten onder het thema ‘Bodem’, SK 16, 17 en 20.

SK 25.

We bewegen toe naar een grondwaterstand van 20 cm tot 40 cm onder maaiveld, afhankelijk van de bodemcompositie, omstandigheden van het watersysteem en de behoeften van het gebied. Hiermee wordt bereikt dat bodemdaling wordt geminimaliseerd en uitstoot broeikasgassen wordt gereduceerd.

Uit veldexperimenten blijkt dat de huidige landbouwpraktijk in laagveengebieden goed mogelijk is bij een peil van 40 cm onder maaiveld. Een peil van 20 cm onder maaiveld wordt door het RLI gegeven als optimum voor reductie van uitstoot van de broeikasgassen CO2, methaan en lachgas. Wanneer het peil van 40 naar 20 cm onder maaiveld beweegt, zal de huidige landbouwpraktijk steeds meer beïnvloed worden en zullen extensivering en aangepaste teelten onderzocht moeten worden. Maatwerk is nodig om te bepalen waar in de laagveengebieden welk peil noodzakelijk is.

De laagveengebieden zijn weergegeven in drie kaartlagen. De lagen ‘veengronden’ en ‘moerig gronden’ laten zien waar in de bovengrond veen en moerig materiaal aanwezig is. In deze gebieden kan oxidatie van organische stof plaatsvinden of worden verminderd door peilopzet. De laag 'kustvlakte' toont de grens van het gehele gebied waarbinnen laagveen voorkomt in de totale Holocene deklaag.

Drooglegging is een term uit het waterbeheer. Hiermee wordt het verschil tussen het waterpeil van het maaiveld en in de sloot bedoeld.

  • Basiskaart drooglegging (wordt later toegevoegd)

Veenpakketten variëren van nature en door menselijke ingrepen in dikte. De ontwatering van dikke veenpakketten levert bij volledige verbranding meer CO2-uitstoot op dan bij dunne veenpakketten het geval is. Bij het nemen van vernattingsmaatregelen is dit één van de aspecten die mee wordt gewogen in de prioritering. De Basiskaart dikte veenpakketten toont de dikte van de veenlagen in meters in het gehele Holoceenpakket in Nederland.

SK 26.

We minimaliseren de aanvoer van gebiedsvreemd water. Daardoor houden we zoveel mogelijk zoetwater beschikbaar voor peilopzet en tegengaan van verzilting.

Het minimaliseren van de aanvoer van gebiedsvreemd water realiseren we door middel van het vasthouden van gebiedseigen water. De provincies bepalen welk areaal in laagveengebieden hiervoor wordt bestemd.

SK 27.

We beheren onze landbouwgronden duurzaam. In aanvulling op structurerende keuze 18 voorkomen we hiermee onomkeerbare oxidatie van veen en behouden we ook voor de toekomst waardevolle landbouwgronden.

Voor deze SK is ruimtelijke data niet van toepassing.

SK 28.

Het Rijk en waterschappen zetten zich in voor aanvoer van zoetwater, maar kunnen geen nieuwe maatregelen garanderen om verziltende gebieden te voorzien van zoetwater van elders.

Op termijn is vanwege zeespiegelstijging, bodemdaling in combinatie met de toenemende watervraag en de lagere afvoeren minder zoetwater beschikbaar om verzilting tegen te gaan. Daarom wordt tegelijk ingezet op vermindering van watergebruik en aanpassing aan verzilting. Dit kan bijvoorbeeld door meer water te bergen in andere gebieden zoals het laagveengebied, waardoor meer water beschikbaar blijft voor het tegengaan van verzilting. Ook aanpassing van het landgebruik kan nodig zijn. Op termijn krijgen met name het de Waddengebied, de Zeeuwse eilanden, de kustgebieden en de polders in het westen en noorden te maken met verzilting.

De onderstaande twee kaarten geven een beeld van de hoeveelheid zout die via het grondwater in het oppervlaktewater terecht komt en van de verwachte toename hiervan. In hoeverre landbouw en natuur hier hinder van ondervinden is afhankelijk van lokale omstandigheden en beheer. In 2026 wordt met de Deltabeslissing duidelijk in hoeverre we blijven doorspoelen met zoetwater.

Uitleg over verzilting is te vinden in de Klimaateffectatlas.

SK 29.

We vragen alle watergebruikers rekening te houden met en zelf maatregelen te nemen om beter bestand te zijn tegen periodes van extreme droogte, watertekorten en verzilting.

Voor deze SK is ruimtelijke data niet van toepassing.

SK 30
en 31.

We houden water langer vast en voeren het minder snel af. We herstellen daarmee de sponswerking van de bodem en bereiken een robuust grondwatersysteem.

We verhogen de grondwaterpeilen met mogelijk 10 cm tot 50 cm. Daardoor wordt op de hoge zandgronden verdroging bestreden.

Zandgronden zijn geschikt voor infiltratie. Het grondwater dat door infiltratie van regenwater wordt aangevuld is nodig voor natuur en landbouw.

De exacte grenzen vaststellen van het gebied waarbinnen water kan worden vastgehouden of de grondwaterstand omhoog moet, is maatwerk per gebiedsdeel.

SK 32.

In de gebiedsprocessen zetten we in op grootschalig herstel van beekdalen op zandgronden voor het verbeteren van de waterkwaliteit. Hiermee halen we niet alleen de doelen voor de waterkwaliteit (vanuit de KRW en de Nitraatrichtlijn) maar kunnen we ook andere doelstellingen realiseren (zoals natuur, groenblauwe dooradering en waterberging).

De basiskaart beekdalen toont de beekdalen in Nederland. De geselecteerde gebieden bestaan uit: beekdalvlaktes, beeklopen, beekoeverwallen, brongebieden in kwelgevoede beekdalen en niet kwelgevoede beekdalen en beekdalflanken.

SK 33.

We beperken de grondwateronttrekkingen rond Natura 2000-gebieden. Daarmee voorkomen we verdroging in deze gebieden.

Met vragen en verbetersuggesties voor deze pagina kunt u terecht bij annemiek.bosch@minienw.nl.